New York

Ik weet nooit helemaal precies meer te vertellen hoe of het toen ging. Het was in het begin van de negentiger jaren. De bus zou me komen ophalen bij het hotel. De groep van Eric ging terug en ik had voor in mijn eentje  nog een reisje er aan vast geknoopt. Die had ik geboekt bij de Nbbs. Toevallig kwamen de twee plekken met elkaar overeen, daar waar ik een week lang zou logeren en daar waar ik toen door die volgende reisorganisatie zou worden opgehaald.

De dag er voor had ik meerdere malen bij de balie geïnformeerd omtrent het tijdstip dat die bus zou komen. Ze bleven mij het antwoord schuldig. Toen ik de volgende ochtend weer langs ging, het waren natuurlijk ook telkens andere mensen aan die balie, ja, toen werd er verteld dat er kort daarvoor inderdaad iemand iemand was komen ophalen. Alleen niemand wist om wie het ging. Om mij dus. 

Daar stond ik dan in mijn eentje ergens in een hotel aan een balie in New York zonder te weten hoe ik verder moest.

In elk geval mijn koffer halen uit de kamer en….de straat op. Maar waar in vredesnaam dan naar toe? Ja, richting Boston. Een taxi dus. Hoe goed kende die man die stad? Hij bleek oorspronkelijk van oost Europese afkomst. Lastig om me verstaanbaar te maken. Maar hij was de rust zelve en leek met mij wel te willen zoeken naar iets waar hij me af kon zetten. Ik had geen keus, maar bleef alert.

Nog altijd is het voor mij onbegrijpelijk dat het goed kwam. We gingen New York uit, een brug over en verder….? Ik had helemaal geen gegevens, geen adres of wat dan ook. Maar plotseling herkende ik iets van een vignet, ergens aan de linker kant iets verder van de weg af gelegen. Dat daar bleek dus mijn redding. Daar stond een bus met mensen. Dat was mijn nieuwe groep. Dat dat zo goed kwam. Ik kan er na jaren nog altijd niet over uit. 

Natuurlijk die taxi heeft me wat extra geld gekost en ik heb ook even behoorlijk in de rats gezeten. Maar ook gaf het me dankbaarheid en vertrouwen dat veel toch gewoon op zijn pootjes terecht komt.

Ik heb de Nbbs er nooit op aan gesproken dat ze mij onvolledig hadden geïnformeerd. Kort daarna waren ze ook failliet en van de aardbodem verdwenen. 

Ik had een hele leuke tweede reis. Een bus vol met mensen overal vandaan. Ik denk er nog altijd met plezier aan terug. 

HJR (26-1-‘22)

LEVEN

LEVEN: 

Het is bijzonder, het feit dat….. sta er bij stil en het is te beamen, als je tenminste het heelal er bij betrekt. Hou dat vast. 

Veel is geklooi en ellende. Zet echter een pas opzij en… ik kan er niet onderuit, leven is ronduit een wonder. We moeten wel dat besef ook weer geregeld opzij zetten om ons te kunnen storten in de alledaagse narigheid die leven helaas ook nu éénmaal is.

Las gisteren een artikeltje van een …… over het feit dat de mensen die de tweede wereld oorlog meemaakten, langzamerhand onze aarde aan het verlaten zijn. Dat we binnenkort zonder deze mensen zijn, die ons er aan hielpen herinneren tot welke gruwelijke daden wij als mens in staat zijn. En dat we nu langzamerhand die gruwelijke daden weer in ons gedachtengoed in eerste instantie, maar wie weet straks ook nog eens in daden willen, kunnen en daadwerkelijk gaan omzetten. 

Lijkt alles daardoor voor niets te zijn geweest? Al onze goede bedoelingen, goede ideeën en ook onze handelingen? Ging het in werkelijkheid wel om de na ons komende generaties? Jawel. Alleen ontstond er op deze voedingsbodem een andere stroming die hele andere doelen nastreefde, de materie betreffend, waarmee er, kort door de bocht, een nieuw platvorm werd gelegd voor ontevredenheid, hebzucht, jaloezie, luiheid, verveling, al met al weinig weinig verheffend gedachtengoed. We volgden Amerika in zijn decadentie en verloren onze eigen cultuur nogal eens uit het oog. We streefden niet langer naar het goede, lieten gemeenschapszin varen en individualisme vierde hoogtij.  

Mensen van kerken bleken zich misdragen te hebben en verloren hun laatste restje geloofwaardigheid. Gezinnen vielen door scheiding van ouders uit elkaar. De pijlers waarop onze samenleving rustte verloren hun grond onder hun sokkels. Er waren er die zagen wat er gebeurde. Zij bleven roependen in de woestijn. 

Corona maakte het ons nog eens extra lastig. We laten zien wat we kunnen, maar schieten wel te kort.

Ik denk aan Roosje, mijn twaalf jarige kleindochter. Had ik haar dit leven liever bespaard gezien? Ondanks het feit dat leven zo bijzonder is, als ik hierboven beweer? Als je alleen het aardse tranendal kunt ervaren, dan zou ik denken, “lieve schat ik neem je mee binnenkort als ik hier vandaan vertrek”. 

Hé, troelemarie, ik denk aan je. En blijf dat doen zolang ik kan. Wie weet of ik je dan straks beter zal kunnen steunen. 

Je moeder zegt dat ik een generatie oversla. Ja, daar lijkt het wel een beetje op. 

HJR (13-1-‘22)

Villa Boschlust

Harm Wind uit Smilde, de grootvader van mijn overgrootmoeder, de mooie Emeline. Ik wist niet dat hij aannemer was. Nu wel. En daar, waar ik zelf ooit later enige tijd vertoefde bouwde hij dit prachtige huis. Jammer dat het er niet meer staat. Een vorm van kapitaal vernietiging? Ze zetten er o.a. ”Babylon” neer. “Harm draaide zich om in zijn graf”. Merkwaardig hoe ik daar zelf toch op die plek geregeld was. Hoe ik zelf in het latere café restaurant “Boschlust” ooit koffie met appelgebak nuttigde. Dat café is er nu ook niet meer. Het werd door brand verwoest. 

Villa Boschlust, Bezuidenhout, Den Haag. Anonieme fotograaf, circa 1870.

De villa Boschlust was een van de markantste villa’s in Den Haag. Boschlust werd in 1838 gebouwd aan de Bezuidenhoutseweg in de Bezuidenhoutse polder.

Het gebied was in de middeleeuwen gebruikt voor veenontginning en werd nadien gebruikt voor de landbouw. Het gebied werd in mei 1836 gekocht door generaal Johannes van den Bosch. Voor de aanleg van het huis en de tuin koos hij de architect Jan David Zocher uit Haarlem. Zocher ontwierp een royaal landhuis met twee vleugels. De vloeren binnen waren van marmer en aan de wand werden Parijse spiegels bevestigd. Het huis werd gebouwd door aannemer Harm Wind uit Smilde. Tegelijk met het huis werd het omringende park in landschapsstijl aangelegd. De villa werd gebouwd voor ƒ 70.000 en werd op 1 mei 1838 opgeleverd. De koloniale achtergrond van Van den Bosch was zichtbaar in de hoge, ruime kamers en de open voorgalerijen.

Na het overlijden van generaal Van den Bosch kocht prins Alexander de villa. De prins woonde tot dan toe, samen met broer prins Hendrik, op paleis Noordeinde. In 1845 verhuisde prins Alexander naar Boschlust. Na het overlijden van de jonge prins op Madeira werd de villa geërfd door zijn ouders, koning Willem II en koningin Anna (Paulowna). Na het overlijden van koning Willem II trok Anna Paulowna zich terug uit het openbare leven. Haar verslagenheid was zo groot dat ze niet meer wilde wonen in het paleis aan de Kneuterdijk. Ze nam eerst haar intrek op Boschlust, om later te vertrekken naar kasteel Biljoen bij Velp. 

Boschlust werd in maart 1851 verkocht aan Cornelis Suermondt (1815-1883), afkomstig uit een Rotterdamse wijnkopersfamilie. Suermondt zou tot zijn overlijden in 1883 in Boschlust blijven wonen, dat ook Villa Suermondt werd genoemd. De familie Suermondt wenste na enkele jaren de villa te verkopen en af te breken voor een woonwijk, waarvoor de Haagse architect W.B. van Liefland werd aangetrokken. Het hele complex werd afgebroken rond 1890. Op de plek van de buitenplaats staat nu het winkelcentrum New Babylon.

– – – – – 

Harmen Jannis Wind (21-04-1779 – 8-02-1847)

Het was na mijn middelbare school examen dat ik ging solliciteren in den Haag. Bij het ABW TNO of te wel afdeling bewerking waarnemingsuitkomsten. Ik zou er in ploegendiensten te werk worden gesteld. Dat trok mij aan, want dan moest ik wel op kamers en uit huis. 

Na het gesprek stond ik mezelf de bovengenoemde traktatie toe in het café op de hoek.

Ik werd er aangenomen. Zo kwam ik in de Jan Pieterszoon Coenstraat terecht, alwaar mijn werkplek zich bevond. Het was een afgerond stuk goede tijd die ik er doorbracht. Niet zo zeer betreffende mijn werkkring, maar wel al het andere mijn leven daar. Een maand of acht duurde het dat ik daar was. 

Het was nog in de tijd van het staatsspoor. Nu bevindt zich er Den Haag Centraal. Maar aan de overkant kan je nog zijn. Daar hebben ze poffertjes. Daar was ik nog met Chris en Roos in het najaar van 2019 waar we even later de familie uit Engeland zouden treffen. 

HJR (30-12-‘21)

PS. Over hoe Harm vanuit Smilde dit regelde in de tijd van trekschuiten en
door paarden getrokken koetsen daar moeten we onze fantasie maar op los
laten. Dat Harm daar überhaupt terecht kwam lijkt me al een wonder genoeg.
Maar daar is meer informatie op Google over te vinden.

Het was een e-mail gisteren van een andere nazaat van Harm die me van het boven beschrevene in kennis stelde. Dat zoiets dan niet meer doorverteld werd in de familie, althans niet in de onze verbaasd me. We vragen ook niet en luisteren te weinig.

Electromanie

3 oktober, ‘21

Las net een artikel van Marcel Levie over de vele elektrische apparaten die wij in huis zouden hebben. Hoe energie verkwistend die zijn en hoe overbodig. Ging toen bij mezelf eens na welke ik zoal in mijn keukentje heb staan en met enige regelmaat gebruik.

Begint met mijn koffiezetapparaat, kreeg ik bij gelegenheid in negentiger jaren van oudste zoon. Gebruik hem om de drie dagen, want,….ja, ik warm mijn koude koffie op in de magnetron, (ook uit de negentiger jaren) tot die op is. Niemand hoeft mij dit na te doen. Ik proef zelf nl. geen verschil tussen oude en vers gezette koffie, dus vandaar. Verder heb ik een elektrische waterkoker voor mijn thee, instant soep, aardappelpuree e.d. Ook heb ik een broodrooster een sinaasappelpers en een staafmixer. In het keukenkastje staan de slagroomklopper, de sapcentrifuge en een een elektrisch kookapparaatje.  Maar mijn pronkstuk is: de airfryer. Heb bovendien ook nog een electrisch radiator kacheltje en een electrische oven als onderdeel van mijn gasfornuis. Oh je, dan staat er natuurlijk ook nog een ijskast, met twee diepvriesladen en zelfs nog een apart diepvries kastje met ook nog eens twee laden.

Ik kan hier goed mee uit de voeten. Als straks het gas uitvalt, zal ik me ook nog wel enigszins kunnen behelpen. Misschien zelfs wel heel goed. Ik heb bovendien de oorlog meegemaakt, dus ik weet waar ik het zo ongeveer over heb. Voel me nog zitten bij de potkachel, bezig met het poffen van bloembollen partjes op de kachel, die wel te eten waren maar allesbehalve lekker. 

Vergeleken met anderen hier te lande reuze bescheiden, en tegelijkertijd mogelijk ook goed bedeeld. Ik wil heel graag nog een dolce Gusta, vanwege de lekkere chocolademelk. Maar ja, die cupjes hè? Die zijn erg onvriendelijk voor het milieu.

Vast nog wel voor verbetering vatbaar. Zal eens kijken waar.

HJR

E-Reader

Was bij mijn zuster geweest in het hoge noorden en bijna op mijn plaats van bestemming. Ik zat in de trein. Een man kwam tegenover me zitten. Hij haalde zijn e-reader te voorschijn, net zo eentje als de mijne een Sony. Een oudje dus. De zijne had een wit hoesje, de mijne is zwart. 

Ik haalde die van mij uit mijn tas en liet hem die zien. De mijne doet het nog steeds, ook al tob ik er wel mee. Het opladen bv. van een boek blijft lastig voor me. Ook verschenen de boeken laatst niet toen ik dat wilde. Mijn lampje, weggewerkt in het scharnier van de e-reader doet het ook al jaren niet meer. Geen idee of daar nieuwe lampjes voor zouden zijn. Ik ben er nooit naar gaan informeren. Maar ik ben al met al nog altijd “wies” met het ding.

Ik attendeerde de man op het niet werkende lampje. “Heeft u enig idee of dit nog aan de praat te krijgen is”? .”Weet u misschien of daar nog lampjes  voor zouden zijn”? De Sony e-reader is al jaren uit de handel. “Zit er wel een batterij in”? vroeg hij mij. 

Nou ja, daar had ik natuurlijk geen idee van. Hij lichtte een voor mij tot dusver verborgen klepje op. Toen zag ik wat ik nooit eerder had gezien, althans niet bij mijn e-reader. Een lege plek, waarin een batterij geplaatst kan worden.

De vreugde over die ontdekking won het van de schaamte daar zelf nooit achter gekomen te zijn.

Die ochtend nog had ik in bed bij mijn zuster wat gelezen, maar door het gebrek aan goed licht had me dat veel moeite gekost, met een bedlampje in mijn ene hand balancerend en de e-reader in de andere. Was altijd zo handig met dat e-reader lampje, ook s’avonds op het balkon. Verheug me er op daar weer gebruik van te kunnen maken. Met dank aan de man in de trein.

HJR (24-7-‘21)

Een droom

Vannacht droomde ik van Aukje, ze zat tegenover Nicoline. “Oh Niek, dit is Aukje, je weet wel mijn vriendin van vroeger. Ik had haar niet verwacht, wist eigenlijk niet of zij nog leefde. Daar in dat verre Florida, ik snapte ook niks meer van haar brieven en nog minder van haar gepraat. Jany belde haar nog af en toe. Ik had daar de moed niet voor. Maar leuk dat Nicoline haar nu een keertje zag. 

Auk besteedde geen enkele aandacht aan mij en aan Nicoline al helemaal niet. Dat drong eerst niet tot mij door. Wie waren trouwens al die vrouwen om haar heen? Ik kende er geen één van. Jany, Gon, e.a. die waren er allemaal niet. Met deze lui viel evenmin te praten. Het was verwarrend en dat bleef het tot het einde toe. Ik wist eerst niet dat ik droomde. Daar kwam ik, eenmaal wakker pas later achter. 

HJR (15-6-‘21)

Tineke

Had niet kunnen bevroeden toen ik op twitter die vraag stelde, of ze die familie misschien kende, ik noemde de namen van twee kinderen en hun moeder, hoe positief toen dat antwoord zou zijn. Meerdere malen had ze (mijn twitter maatje) haar woonplaats meende ik, genoemd. Had het al veel eerder willen vragen, maar dacht het negatieve antwoord op die vraag al bij voorbaat te kennen. Nee, niet zeker natuurlijk. Daarom bleef het ook op een bepaalde manier alsmaar aan me zeuren. Tot afgelopen donderdag avond. “Nou hoor, nu vraag je het haar en ben je er van af”. 

Het is nu maandag, een paar dagen later en krijg ik het bericht van Tinekes overlijden de afgelopen avond om half zeven. Zo raar hoe ik die laatste dagen bij haar dood op afstand toen zo betrokken werd. Het bleek nl dat ze de mensen die ik noemde niet alleen kende, maar dat de moeder, Tinekes dochter, zelfs haar beste vriendin is. Dat viel niet uit te leggen en nam het maar voor kennisgeving aan. 

Voor mij betekent het dat Tien nu van haar leven afscheid nam. Dat ze nu rusten kan. Daarnaast is het mijn afscheid van haar, en van een gezamenlijk stuk leven, de plek van onze gezamenlijke jeugd, haar moeder ook, prominent padvindsters leidster, die ik me nog goed voor de geest kan halen. Ik bewaar ook mijn herinneringen aan haar van later. 

We bezochten een verschillende lagere school. We kenden elkaar van de kabouters, alhoewel ik me dat niet meer herinner. Op de middelbare school kwamen we bij elkaar. Eén jaar zaten we samen in dezelfde klas. Daar getuigt een foto van, met Anton Pieck als onze klassenleraar. Vriendinnen waren we toen niet. Een blauwe maandag woonde ze zelfs naast ons. 

“We wisten het allebei nog, zo’n dertig jaar later of zo, hoe we eens op de hoek hadden gestaan van de Kastanjelaan en de Essenlaan. Beiden met onze respectieve ouderlijke huizen in de rug. Na onze school opleiding beëindigd te hebben liepen we daar elkaar toevallig nog eens tegen het lijf. Monique was er ook bij, in de wandelwagen. “Wat ik toen zei en zij toen dacht”. Tien kwam er later mee.

We troffen elkaar een keer in Sassenheim, waar zij toen al een hele tijd woonde. Ik woonde nog in Noordwijkerhout. We bleven daarna een tijd lang intensief met elkaar omgaan. We deelden veel en hadden veel te praten. Maar op den duur konden we elkaars problematiek niet aan. We hadden beiden nog een stuk eigen weg kennelijk te gaan.

Tien was een aparte. Ze mocht er zijn, ze was er ook. Ze maakte een onuitwisbare indruk op mensen die haar ontmoetten. Haar enthousiasme, haar grote hart, haar impulsiviteit, haar energie, haar depressiviteit. Ze stuurde me de laan uit. Het was OK. Of ik het snapte? Een beetje wel. Maar jammer was het.

Deze laatste twintig jaar heb ik niet meer met haar kunnen delen. Dat ik uiteindelijk in een woongroep belande en wel in Amersfoort, heeft ze niet meer van geweten. Wel hebben we even samen nog het één en ander op dat gebied verkend. Zo kwam zij nog aandragen met het bericht dat ze in Bloemendaal met een dergelijke groep in Elswout wilden gaan starten. Of dat niet iets voor ons zou kunnen zijn. Het is er daar geloof ik niet van gekomen. Hoe het met Tineke verder ging, ik kon er slechts naar gissen. 

Ik hoorde nog wel af en toe over haar. Via Hannie, van haar een oud collega.

Ach Tien, hoe ging het je deze laatst twintig jaren? Je bleef geliefd onder de mensen, zei Je dochter. Geen Oma als andere Oma’s, maar volgens mij wel een hele bijzondere.

Tineke een vrouw om nooit te vergeten.

HJR (14 juni 2021)

Oom Luuk en tante Tine


Oom Luuk en tante Tine,

Toen ik trouwde, op 23 februari 1968, hadden we “de wereld aan cadeaus” ontvangen. Dat ging toen veelal door het rondsturen van bloknootjes naar de diverse kennissen en familieleden van beide kanten, als die vroegen wat we wilden hebben. Ik had op die bloknootjes mijn wensen geschreven, éen wens per bloknoot velletje. De mensen konden na ontvangst dan een keuze maken en het betreffende papiertje eruit scheuren en vervolgens het bloknootje weer terugsturen. Dit gebruik is in onmin geraakt. Toentertijd was het handig en werd het veel toegepast.

Oom Luuk en tante Tine, ze woonden in Bergen op Zoom, als ik het goed heb op “de Warande”. Ze hadden voor ons een pyrex schaaltje uitgekozen, schreven ze mij. Ze zouden dat die week met zijn tweeën gaan kopen. Ik stelde me hen voor hoe ze oud en krom gebogen, met hun tweeën op pad gingen en er een uitje aan hadden. Ik kende hen niet. Het waren kennissen van Thijs zijn ouders. Het waren geen echte oom en tante. Ook zo’n gewoonte om in plaats van meneer en mevrouw, bekende volwassenen “oom en tante” te noemen. In de loop van de jaren zeventig, werd langzaamaan overgegaan tot het onofficielere gebruik van alleen voornamen.

Ik heb oom Luuk en tante Tine nooit ontmoet. Mijn beeld van hen is me echter bij gebleven. Het pyrex schaaltje is nog steeds in mijn bezit en wordt nog geregeld gebruikt. Maar tegenwoordig moet ik om een andere reden nog al eens aan hen denken nl. als ik net als zij ook mijn middag of ochtend met een dergelijk activiteitje van identieke omvang weet te vullen. 

Hoe dierbaar zijn me die mensen en hoe vertrouwd.

HJR (9-4-’21)

Of ik ooit zoals het hoort, voor het schaaltje bedankt heb kan ik me niet herinneren. Ik hoop het maar. Evenmin of er ooit nog verder van enig schriftelijk contact sprake was.

Thijs woont daar nu in de buurt. Ik heb het opgezocht “Warande”. Het blijkt inderdaad te bestaan. Zag ook het “Appeltje” vlakbij op de kaart. Dat is een soort van hedendaagse uitspanning, populair bij “de Engelsen” als ze op weg naar verder of op de terugweg naar huis bij Thijs en Liesbeth langsgingen.

Ik blijf me verbazen hoe bepaalde dingen en gebeurtenissen in het geheugen blijven hangen en andere volledig verdwijnen. Vraag me af waarom dat is.

Hoe ik langzaam groot werd

We hebben het allemaal wel, van die herinneringen van toen we nog jong waren. Ze komen geregeld naar boven, tegelijk met de entourage waarin ze zich afspeelden. Laatst kon ik er eentje, al lachend aan iemand kwijt. Dat is dan extra leuk. Dat ging over die jongen die voor mij, ik was met een vriendinnetje aan de Cote d’Azur, vakantie op nam. En hoe ik daar nu nog over inzit. Ik had nl toen daar al weer een ander “vriendje”, ja, zo ging dat toen. 

Enfin,

Zie net dat @Tsiwja op twitter herinneringen op aan het halen is. Dat brengt me er nu toe iets te gaan opschrijven uit mijn rondreis door Denemarken, Zweden en Noorwegen in 1963.

Ja, je houdt het nou nog amper voor mogelijk, maar eens lang geleden stond ik in mijn eentje in Zweden aan de kant van een weg mijn duim op te steken. Ik maakte toen een rondje om het Siljan meer. Had er in Mora het huis van Selma Lagerlöv bezocht en vervolgde toen mijn weg. 

Een man stopte. Hij had twee jongens bij zich, lagere schoolleeftijd. Veel conversatie zat er niet in. Maar ja, hij nam mij mee. We bezochten een plek met een mooi uitzicht. Daar wandelden we naar toe. En daarna gingen we nog ergens eten. Zweeds eten dus. Ik liet het me allemaal welgevallen. Wat had ik anders moeten doen? 

De jongens werden daarna ergens afgeleverd. Een vrouw in de deuropening stond in de verte naar mij te kijken. De man en ik gingen verder. 

Hoe precies dat toen ging weet ik niet meer. Alleen wel dat we heel snel van elkaar scheidden. 

Hoe kwam ik daarna toen thuis? Waar verbleef ik toen? Het was een leuke dag, dat wel. Enigszins schuldig voel ik me nog altijd. Alhoewel, geen haar op mijn hoofd die daar toen al aan dacht. Onnozele hals als ik was en misschien nog altijd ben.

Liften, we deden het allemaal, althans de lui met wie ik omging. Regelmatig op en neer van Groningen naar het westen, waar mijn ouders woonden. Zo kon ik geld aan andere dingen besteden dan aan het openbaar vervoer.  Heel vaak ging ik alleen. Als we vakantie hadden, op de onmogelijkste tijden in het jaar, zoals november, maart, ook naar het buitenland. Zo ging ik in een najaar met een vriendinnetje naar Brussel en later door naar Parijs. Betreur nog altijd dat ik toen niet “de Hallen” ben gaan zien. Daar waar het echte Parijse leven zich afspeelde. 

Ook zie ik me in Engeland nog staan in het donker. Had toen net een vrachtauto verlaten toen de man “vervelend” werd, of anders toen hij probeerde te krijgen waar hij vond dat hij mogelijk recht op had. Hoe wist ik welke kant ik op moest? Hoe was ik daar überhaupt verzeild geraakt? Dat vertellen mijn herinneringen me niet. Maar wat een wonder dat ik er steeds zonder kleerscheuren van af ben gekomen. In de huidige tijd is dat moeilijk voorstelbaar.

HJR

Obstakels

8EA8E48F-AEB8-45B7-958A-CFFB5941B823Gisteren mijn avontuur wel weer gehad. Ik moest naar de bank, want bellen lukte niet. Althans, niet meer zo als ik gewend was. Ik werd er telkens doorverbonden en moest iedere keer weer tijden wachten. En dan vroegen ze me ook om in twee woorden in te spreken waarom ik bel. 

Bij de plus zou ik daar goed kunnen parkeren. In een grote parkeergarage. Nou heb ik het daar niet zo op. Als ik een gewoon plekje zou zien, had ik dat liever. Ik waagde het erop en nam de auto.

Opeens, rechts af, pats boem, daar stond ik op een afrit en voor mij een rood wit gestreepte slagboom. Die ging echter toen ik voorzichtig naderde niet omhoog. Ach, mijn hemel. Stond ik daar de voorwaartse helling proef te doen. Ik zag me echt niet in de achteruit die bochtige stijle weg weer terug nemen. Dat zou dan iemand anders voor mij moeten doen. Had ik daar mezelf mooi als obstakel opgeworpen?

Mijn hart klopte in mijn keel. Stapje voor stapje liet ik me voorzichtig zakken, wachten op dat wat komen zou. Links van me verscheen een andere auto. Kon niet zien of die net zo’n balk voor zijn autoruit had als ik. Ik deed als hem en reed voorzichtig verder. Het ging. Er gebeurde niets. Kon er gewoon onder door. Ik, de held op sokken. 

Toen moest ik de auto ergens zetten. Zo dichtbij als mogelijk om het terugvinden te vergemakkelijken. Maar dat ging niet. De bocht was veel te krap. Daarna waagde ik me toch wat verder die onderaardse ruimte in. Plek genoeg, beter er achteruit maar in. Daar stond ie. Geen letters of cijfers om te kunnen onthouden waar ik hem had neergezet. Voor de zekerheid nam ik een foto, om het mogelijke zoeken later te vergemakkelijken. 

Ja, lieve ouders, het valt voor mij ook allemaal steeds minder mee. En hoe of de kinderen het later nog zullen krijgen? Ik weet het natuurlijk niet. Wel dat ik het dit keer weer overleefd heb en nog weer een stapje heb kunnen zetten in die vaart van onze volkeren. Een zekere voldaanheid nam ik in me waar.

Het is dat ik bijna nooit meer autorij, van parkeer garages gruwel en we door de corona met allerlei restricties te maken hebben. Ik bovendien steeds slechter ter been geraak en ik toch zo nu en dan uit de voeten moet. 

– – – 

HJR (1-7-‘20)