Vanwege Jacques

Versie 2

Versie 2

jac-1  jac-2   jac-3   jac-4   jac-5   jac-6   jac-7  jac-8  jac-9  jac-10  jac-11  jac-12   jac-13    jac-14    jac-15   jac-16      jac-17  jac-18  jac-19  jac-20

Zo bezig zijnd geweest met die brieven van Jacques was ik even terug in mijn tijd. Het speelde zich af rond de jaarwisseling 1960/1961, nou ja van 1/2 dec tot begin februari. Ik herinner me nog hoe ik daar toen liep in Groningen. ’s Avonds was het en donker. Ik geloof niet dat ik huilde, maar ik was wel heel erg geschokt. Jacques had het uit gemaakt. Ik snapte wel waarom. Tenminste,…. ik was jaloers geweest. We kwamen de bioscoop uit. Geen idee meer welke film. Jacques zag een studie genote en praatte met haar. Daar was ik nijdig over en had dat laten blijken. Als herinnering had ik nog wel van hem een tijdlang een groen glazen salamandertje tussen mijn boeken in de kast staan. De staart brak er op een gegeven moment van af. Toen gooide ik het maar weg. Hij had dat uit Antwerpen voor me meegenomen. Voor hem bracht ik toen later uit Oostenrijk een dikke grote kaars mee. Zulke kaarsen had ik bewust eigenlijk nog nooit eerder gezien. Voor hem als regelmatig kerkbezoeker in zijn katholieke jeugd zal het minder bijzonder zijn geweest. Maar hij had zich er wel blij mee getoond. Toen hij het had uitgemaakt moest die kaars heel snel opgebrand worden. Hij wilde me weer uit zijn leven, hoe eerder hoe liever. Tja.

fullsizeoutput_2140

jac-13


jac-20
Al met al heeft de affaire dus hooguit anderhalve maand geduurd en in die tijd waren we het grootste gedeelte ervan niet in elkaars gezelschap geweest. Het speelde zich ook voornamelijk af in het hoofd van Jacques en het waren zijn gevoelens die hij op mij projecteerden. Maar, ik vond hem wel leuk, ook al had ik er een hard hoofd in of ik, vrijbuiterig als ik was, in die streng katholieke familie wel zou passen. Wist toen natuurlijk nog niet dat er ontkerkelijking stond aan te komen. Maar los daarvan had Jacques zich een beeld van mij gevormd, waar ik met geen mogelijkheid aan zou hebben kunnen voldoen. Toen ik op wintersport was schreef hij me iedere dag. Hij herhaalde zich nogal, maar wist dat wel in steeds weer verschillende bewoordingen te doen. De brieven ademen ook de sfeer van toen.

Zoals ik al schreef, hij overkwam mij, inclusief dat abrupte einde. De herinnering aan die episode bleef voor de rest van mijn leven bestaan. Ach, niet van minuut tot minuut, maar als algemene impressie. Eén keer kwam hij nog met anderen mee, op mijn kamer. Dat was toen Hannie Zijlstra, de vriendin van Jan, zijn broer, tijdelijk mijn étage ging bewonen toen ik voor een tijdje naar Engeland ging. Jacques en ik keken elkaar toen alleen maar aan. We hebben geen woord meer met elkaar gewisseld. Daarna zag ik hem nooit meer. Over hem praten deed ik evenmin, op die ene keer na misschien toen op die zomerse dag in de tuin bij Gon in 2002/3? Toen hoorde ik iets van hoe of het verder met hem was gegaan. Hij werd in Roosendaal leraar Frans. Niemand die ooit geweten heeft hoe jammer ik het gevonden heb dat het toen uit ging.

Nu terugdenkend aan die tijd, is het alsof er een grauwsluier over hing. Er was nog geen welvaart. We wisten niet beter, ik zeker niet. Het buurtje waar Jacques in een huis woonde met die andere jongens, Paul, Henk en die Chinese jongen, Bong genaamd en met zijn broer Jan, was in mijn herinnering een weinig florissante plek. Jacques kamer staat me nog bij: een bureau, een stoel er voor, een fauteuil, zoals hij die noemde met een raam erachter met uitzicht op ’t één of andere diep en dan nog een bed, vlakbij de deur. Kortom voor mij bijzonder. Hoe vaak ik daar geweest ben? Ik weet het eigenlijk niet. De franse sfeer vierde voor mij hoogtij in die dagen, het existentialisme, met de in het zwart geklede Juliette Créco en de franse liedjes, met Guy Béart als mijn geliefde zanger. In mijn verbeelding vond ik daar bij Jacques wat van terug. Het mocht ook somber zijn en grauw.

Aan de andere kant op een keer op een zondagmiddag ging ik mee naar zijn tante die in Haren woonde of Helpman. Daar heerste een soort van zoete instuif met veel jongelui. Er werden spelletjes gedaan. Heel leuk. Mij lukte het later niet zo een sfeer te creëeren, ik kwam dan ook niet uit het vrolijke katholieke zuiden.
Ik heb aan hun huis ook nog een jongen “geleverd”, Sietse geloof ik dat hij heette. Die had ik in het ziekenhuis leren kennen, waar hij een studenten baantje had. En dan was er Ron, van collega Gon, die er naast woonde en waar zo nu en dan de feestjes werden gehouden.
Ik kende ze via Aukje. Ik hoorde er niet echt bij, maar wilde dat wel. Ik moest nog groeien, nog iemand worden. Ik “schuurde” me even aan hen, waarna ik mijn ontdekkingstocht verder elders vervolgde.
Ron en Gon zag ik door de jaren heen nog wel. Van hun dood werd ik pas later verwittigd. Jenny, een vriendinnetje van Paul is overleden en verder weet ik het niet. Mieke en Evert Wim…? Alleen Jany zie ik af en toe nog. Ga soms even bij haar langs vanwege Aukje, die in haar uppy nu in Florida is beland.

Het is best gek dat nu ik dit zo opschreef er verdriet naar boven komt. Ik heb geen flauw idee waarom.

——-
HJR (29-11-’16)

Nawoord. Bedenk me dat het misschien komt doordat we nu allemaal één voor één gaan sterven. Dat we afscheid moeten gaan nemen van het leven.
Doordat we toen ook nog niet konden weten, dat wat we verwachtten en/of hoopten, in de realiteit er heel anders eruit zou gaan zien. De zwaarte van het echte leven konden we nog niet kennen. Teleurstellingen alom. Natuurlijk het werd fraai, we kregen mooie kleren, fraaie huizen, maakten leuke reizen, kortom we werden en masse welvarend, de meesten van ons kregen kinderen. Maar elkaar raakten we wel kwijt, zo we elkaar ooit al toe behoorden. Toch bleef men uit het “Griffestraatje”, elkaar wel zien, zoals ik heb begrepen en ook de “zusters” hadden soms een reünie. Van dat laatste maakte ik er een paar van mee.
De warmte bij elkaar, wie heeft het kunnen vinden, al of niet met “water bij de wijn”? Kwamen er misschien toch wel een aantal van een “kouwe kermis” terug. We hebben leren accepteren, we kwamen erachter waar het in het leven om te doen was nl. “Ervaring op doen”. Toen liep ik nog met mijn kop in de wind en mijn lichaam alle kanten opspringend. Ik hoorde er niet bij, ik hoorde nergens bij waar ik toen was. Ik moest mezelf in het leven nog zó ontdekken.

Voor het eerst hier in de woongroep geloof ik dat ik op mijn plek ben. Wel denk ik met enige heimwee terug aan de tijd van toen. Omdat we nog zo met elkaar als het ware in het ongerepte leefden, de tweede wereld oorlog lag achter ons, de wereld met zijn vele mogelijkheden toen voor ons. In de verste verte konden we niet vermoeden dat we er met ons allen zo een puinhoop van zouden gaan maken. Tenminste daar lijkt het wel op te zullen uitdraaien met die opwarmende en inmiddels behoorlijk vervuilde aarde en vooral met al die mensen die niet met elkaar uit de voeten kunnen. Het beroerde is dat we als mensheid zo verdeeld zijn, zelfs hiér in Europa, laat staan met de andere volken erbij gerekend, waardoor er geen of nauwelijks overeenstemming wordt bereikt over hoe onze handen in één te slaan om de juiste maatregelen te kunnen treffen. En hetzelfde geldt in het klein in de gezinnen, de families, de kleine woongemeenschappen. Neemt niet weg dat ik voor mezelf geen echte reden tot klagen heb, maar net als Jan Terlouw in DWDD laatst, gun ik onze kinderen en kleinkinderen dat zij het ook, net als wij het naar hun zin in het leven kunnen hebben.

Ik denk dat door dit me, alles bij elkaar, een ogenblik te realiseren, dat dat het was wat me eerder ontroerde.

2-12-’16

HJR

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s