Verpleging

Algemeen Provinciaal Stads en Academisch Ziekenhuis (APSAZ) te Groningen

Mijn herinnering begint er met mijn staan daar vlakbij de poort roepend naar Aukje, die daar uit het raam van haar kamer hing: “ik heb vrij nu”, riep ik, waarop Auk naar beneden kwam en wij met zijn tweeën de stad in gingen. Dat hadden ze gezegd: “jullie hebben nu een vrije morgen” of iets dergelijks, waaruit ik de conclusie had getrokken de verdere morgen “vrij” te zijn. Ze bleken er iets anders mee bedoeld te hebben, maar dat ik begreep ik pas later. Auk en ik togen naar V&D op de grote markt. Zij was dus mijn vriendin van de lagere school. Zie: …….. http://wp.me/s1DNWA-aukje

Een gezellig begin van mijn leven daar. Ik had er toen wel voor de nodige consternatie gezorgd, want “zuster Römelingh was weg”, duidelijk iets ongehoords, maar een nieuwe status was gecreëerd, van toen af aan kon ik aangesproken worden met “Zuster”.

Hoe we elkaar daar direct al gevonden hadden, weet ik niet meer. In elk geval was mij onbekend geweest dat Aukje vanuit Bloemendaal ook naar Groningen was getogen en er dezelfde opleiding was gaan doen. Ze liep aanvankelijk een half jaar op mij vooruit.

Ik begon er met de vooropleiding. Deelde er een kamer met Alie Velthuis, uit Onstwedde en deed er mijn eerste Gronings op: “de klok staat” deelde ze me mee, hetgeen ik als een overbodige mededeling beschouwde, maar waar zij iets anders mee bedoelde dan ik oppakte.
Alie ging niet verder met de opleiding en verdween heel plotseling en zonder afscheid weer uit mijn leven. Nu denk ik dat ze een afwijzing had gekregen, maar toen was die mogelijkheid niet bij mij opgekomen. Het heeft me tot op de dag van vandaag in onzekerheid gelaten. Om informatie erover in te winnen, daar was ik duidelijk nog te onnozel voor geweest.

Na de vooropleiding kreeg ik een kamer in het zusterhuis, verderop op het terrein en werd ik er op de afdeling Interne te werk gesteld. Dat gebouw lag aan de Oostersingel en werd later afgebroken. Mocht er toen een houten stoel uit mee nemen, die tot mijn verbazing nog altijd naar tevredenheid gebruikt wordt. Na een jaar in dienst, mochten we buiten het terrein in de stad op kamers. Ik verhuisde naar de familie Sneep in de van Sijsenstraat. Zo lang we op het terrein verbleven moesten we voor elf uur binnen zijn en anders ons melden bij binnenkomst. Daar was ik toen van af.

Een aparte wereld van het ziekenhuisleven ging voor mij open. Het was best pittig. Er was nog de zesdaagse werkweek en voor veertien dagen ging je bij toerbeurt de wacht in. Aan vooral dat laatste moest ik erg wennen. Ik kan me herinneren hoe ik mijn eerste nacht vanwege de omschakeling heb moeten overgeven. Ik geloof dat we in de vooropleiding al een nachtje mee hadden moeten draaien.

Patiënten lagen in het algemeen, zo ongeveer met z’n tienen op zaal, met tussen de bedden gordijnen, die rondom dichtgetrokken konden worden. Ze werden op bed gewassen. Achter hun bedden hingen de washandjes en handdoeken. Op het nachtkastje werd eerst de grote kom voor boven en vervolgens de kleine kom voor onder, met water er in neergezet. Heb er nu mijn twijfel over of we er koud of warm water in deden. Omdat ik me het protest van een meneer Zwiers ben blijven herinneren, geloof ik dat het koud water was waarmee we de mensen wasten. In het laatje lag hun zeep, naast pen, papier, bril e.d. maar ook hun snoepgoed. Tegen dat rommelige zootje, had ik nogal een afkeer, vooral als mij iets van het snoep werd aangeboden. De gebitten zaten ’s nachts in gebitten bakjes op het nachtkastje.
De wat meer welgestelden lagen op de klas. Dat ging daar vergeleken bij de gewone lieden best chique aan toe.

Boterhammen met boter kregen we ’s morgens bij de koffie. Die smaakten best. Collega’s. Voelde me er eigenlijk wel goed onder, zeker in het begin. Maar ik groeide er niet lekker door. Er waren natuurlijk rangen en standen onder: De hoofdzuster van de kliniek, de eerste verpleegster van de afdeling, en zo verder. Het lukte mij niet in deze hiërarchie op te klimmen. Niet dat ik daar naar streefde, maar is meer een constatering achteraf. Bij mijn eerste jaarlijkse beoordeling bij zuster Betje Bilgen, de directrice van het ziekenhuis, kreeg ik te horen dat ik met een air op de afdeling rond liep. Ze sommeerde me in het vervolg daarmee te stoppen. Mogelijk dat ik de doktoren aansprak en hen vroeg wat er bij een patiënt aan de hand was. Zoiets is het waarschijnlijk wel geweest. De jaloerse zuster Schiphorst pikte dit niet en wist me via Betje B. te raken. Dat is haar toen aardig gelukt. Ik werd er wel meer van op mijn hoede, en in elk geval onzekerder door. Maar hoe dan ook, ik heb er goed leren soppen en zelfs dweilen. De vrouwelijke patiënten lachten om mijn manier van dweil uitknijpen, en doe dat nu nog steeds verkeerd. En….bij het verlaten van de zaal of kamer even over mijn schouder kijken of ik niets heb laten liggen of overgeslagen. Dat is wel een goeie gebleken. Naar de hoofdzuster moesten we als er een thermometer kapot ging. Dan kregen we onder een reprimande een nieuwe.

Het eenvoudige verzorgen van mensen, daar had ik wel wat mee. Maar zodra het ingewikkelder werd, zoals injecteren, infusen en wonden verzorgen, raakte ik in paniek, alsof ik daar al bij voorbaat in zou falen. Op die gebieden werd ik dan ook niet handig.
Ik heb op diverse afdelingen gewerkt. Na interne kwam ik er o.a. achtereenvolgens nog op chirurgie, gynaecologie, en de kinderkliniek.

Drie jaar heb ik er in totaal gezeten, van 1959 tot 1962. De opleiding was er bij inbegrepen. In de praktijk was ik niet geweldig. De theorie ging me beter af. Heb er halverwege nog wel mee op willen houden. Dacht er toen over om over te stappen naar een analisten opleiding. Achteraf bezien, zou dat ook niets geworden zijn. Mijn vader schreef me in een brief dat ik beter kon blijven zitten waar ik zat: …….

Ik voelde me er niet op mijn plek, maar was vooral later wel tevreden dat ik er met mijn diploma was vertrokken. Het gaf me steeds wat meer kans op een baantje.

Ik had het verder toen in mijn leven wel naar het zin. Door die wisselende diensten was het leven ook nogal gevarieerd. Ik had er twee groepen vriendinnen, die van mezelf en die van Aukje.

Na mijn diploma wilde ik zo gauw als mogelijk uit het ziekenhuis vandaan. Jany was naar Engeland gegaan als aupair. Ik ging haar achterna. Mijn latere kamer op de Kraneweg bij mevrouw Meyer hield ik aan, maar liet daar wel iemand anders tijdelijk in wonen.

Ga nog om met Bettie uit die tijd en zoek af en toe Jany op die hier niet ver van mij vandaan woont.

Aukje woont in Florida, Gon is dood, met Hennie is het contact verbroken en verder ging het leven met iedereen zo zijn verdere gang.


HJR (9-5-’17)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s