Over justanoldlady

78 jaar, (1939) alleenstaand, 3 kinderen, 8 kleinkinderen. Voel me betrokken bij het wel en wee van de wereld, maar neem tegenwoordig wat afstand ervan. Hou van lezen en films kijken, buiten leven, tuin, natuur, honden en andere dieren. Wandelen, fietsen althans....geen grote afstanden meer. En vroeger reizen.

Maarten

http://www.ad.nl/binnenland/enlsquo-ouder-worden-valt-een-beetje-tegenenrsquo~ab829199/109762446/

De tweede keer dat ik hem ontmoette, wist hij nog van de eerste keer. Maar of hij zich nù de beide keren nog zal herinneren, ik weet het niet. Het is natuurlijk ook niet belangrijk. Alleen als ik hem dan weer eens ergens zie verschijnen, hetzij op de tv of in een artikel of zoals nu in een tweet op twitter, komt er iets van vertedering bij me boven en zit ik in mijn herinnering weer even naast hem op de bank.
Toen ik hem ontmoette was hij net een beetje bekend. Daarna ging het met hem in sneltreinvaart wat successen betreft bergopwaarts.

Die transgenderij boeide me niet zo. En met zijn boeken begon ik ook pas veel later. Ik vind het wel leuk hoe het met hem ging. Die “tuinderij” van hem was ook apart en evenals zijn kennis van de klassieke muziek. “Die man die weet zo veel”, hoor ik mijn vader nog over hem zeggen, een geweldig compliment en een reden voor mij om toch eens serieus met een boek van hem aan de gang te gaan.

Laatst stuitte ik op zijn boek recensies op you-tube. Zijn uitleg daar kan ik erg waarderen. Hij zegt van zichzelf dat hij niet zo sociaal is. Ik vind hem wel reuze geïnteresseerd in heel veel. Hij is ook heel aardig. Hij is alleen zo uniek dat hij oppervlakkigheid bij anderen vermijdt en kennelijk is dat bij zijn vrouw net zo.

Hij was een goede schoolvriend van mijn buurman indertijd. Vandaar. Waarschijnlijk troffen we elkaar op een verjaardag. Ze hadden ook een keer wat lui van hun school uitgenodigd. Toen werd mijn fototoestel geleend om dat vast te leggen. We hebben het over de zeventiger jaren. Het meisje uit de regenwulpen was daar toen ook bij.

Jammer dat hem het ouder worden tegen valt. Lichamelijke klachten en het ontbreken van vooruitzichten en misschien het naderende afscheid van het leven. Want dat hij van veel genieten kon dat heeft hij ons wel laten zien. En wij van hem.

HJR

(19-8-‘17)

“Ach ja, den Haag”

Posted on augustus 3, 2017
Hoi,

Natuurlijk zijn ze niet belangrijk, de passen die ik in het verleden zette door den Haag. Voor mij echter markeren zij nogal wat paden, of vanuit groter perpectief bezien, beter te spreken van paadjes uit een leven, in dit geval het mijne. Ook leidden zij mij gisteren langs diverse mensen, successievelijk uit mijn herinnering te voorschijn komend. Nee, interessante verhalen leveren ze niet op. Wel interessant is natuurlijk de achtergrond waartegen het zich allemaal afspeelde en nog steeds aan het afspelen is.

Tippen van sluiers werden opgelicht. Wat ik zie en me tegelijkertijd herinner, beangstigt me. Ook raak ik er door ontroerd, ben ik verbijsterd en wat al niet meer. Hoe het b.v. er in mijn ogen in de afgelopen zestig jaar niet fraaier op geworden is. De aandacht trekkende étalages van weleer zijn er voor een groot deel weg. Veel staat er in de stijgers, mogelijk vanwege de vakantie/zomertijd. Hoe dan ook, ik vond het er nogal verloederd uitzien. Alsof we hier in vgl. met vroeger de grip op de wereld aan het kwijtraken zijn, dat het echte leven zich nu elders afspeelt en zoals we weten in het verborgene van internet reeds plaats heeft. Maar niemand die er mee lijkt te zitten, ze hebben het er ook domweg mee te doen. Wie wéét ook nog van vroeger? Hoe in een gelegenheid op het Spui, een orkestje speelde en er ook “in de diepte” gedanst kon worden? Weet niet meer hoe of het heette. Hek? En daar vlak bij het station Staatsspoor, waar ik, op sollicitatie bezoek, na afloop koffie met appeltaart nuttigde? Ook weg. We dunnen uit, wij oudjes. Ik moet het me ook eigen maken dat verandering vaak geen verbetering betekent, handelingen en verwachtingen nogal eens op onvoldoende inzicht zijn gebaseerd. Wie wil ook dat iets minder gaat dan beter? Maar het gaat zoals het gaan zal.

Ik had me met een OV-fiets op pad begeven, een in blauw en geel geverfd geval.  Wel uitkijken geblazen: de soepelheid is uit mijn lijf verdwenen, de terugtraprem ben ik ontwend, verkeer komt bovendien van alle kanten. Maar ik kwam er verder mee, dan lopend.
Het zou de verjaardag van mijn moeder zijn geweest. Ik wilde dat met koffie en gebak eerst even memoreren. Alleen, waar zou ik dat dan kunnen doen? Uiteindelijk kwam ik er voor beneden bij de Bijenkorf, waar het zicht niet meer op verkeer gericht is, trams en auto’s gaan er nu ondergronds. Vervolgens zette ik mijn tocht voort. Met wat roltrappen ga ik naar boven om te kijken wat er is. Ik liep er wat onwennig rond. Heb dan ook helemaal niets meer nodig, dus nogal een ongericht geslenter en slechts een vorm van eerbetoon aan al die eerdere bezoekjes die ik ook aan het Amsterdamse filiaal in het verleden bracht. Nu herken ik me er niet meer in, ook al raak ik gelukkig nog niet verdwaald. Wel leuk dat het er i.t.t. V&D tenminste nog staat. Maar een afdeling boeken, ik geloof niet dat die er nu nog is. Op de begane grond is ook niets meer te krijgen wat ik ooit behoef. Duidelijk bestemd voor de chiquere mensen onder ons.
Ik weet dat mijn grootmoeder en ook mijn ouders eveneens met diverse veranderingen te maken hadden. Ik kan me herinneren hoe ze het geregeld over van “voor de oorlog” hadden, een scheidslijn in hun leven, die voor het mijne het begin er van was. In den Haag begon ik met het “echte leven”:

Laatst bij de bushalte vertelde ik nog aan een Ethiopiër hoe ik indertijd Haile Selassie er had gezien, voorbijrijdend in een open wagen op de Kneuterdijk. De man had mij met ontzag toen aangekeken. “Onze keizer”, vroeg hij nog? “Ja, ik had echt nog naar hem gezwaaid”. Iemand achter me riep toen, “Haili Selassi, haal es me jassie”, hetgeen me de rest van m’n verdere leven bij bleef.
’n Andere keer dat ik er zo aan de kant van de weg stond was op een Prinsjesdag geweest, ’n tweede dinsdag in september.  De enige keer dat ik ooit naar de Gouden koets heb staan kijken was toen in datzelfde jaar, op de Bezuidenhout, in de buurt van, waar ik toen werkte. Het was het jaar 1958, waarin ik kennis maakte met den Haag en met mijn zelfstandig leven.

Die mensen die ik er kende en nu in gedachten weer tegen kwam, ze zijn me op een bepaalde manier dierbaar. Ik vrees dat dat omgekeerd maar amper het geval zal zijn. Nou ja, een aantal van hen zullen toch al overleden zijn. Dat zij dan zo.

Kris kras reed ik op mijn blauw gele gevaarte wat door de straten van de binnenstad. Richting het paleis Noordeinde, in de Hoogstraat, had ik met moeder en broer Jon nog ergens een keertje zitten eten, “Klein Zwitserland” of iets dergelijks had het geheten. Vele jaren later met neef Walter, na een bezoek met hem aan de “Hooge Raad”, vanwege een misgelopen subsidie, had ik nog koffie gedronken bij “des Indes”. Zoon Jeroen had daar, zelfs, behoorlijk chique laatst voor zijn werk vanuit Londen nog overnacht. “Volgende keer moet hij me maar bellen”, bedacht ik me de Dennenweg inrijdend, dan kunnen we misschien daar samen ergens eten om bij te praten. Nou ja, het is te doen, dat bleek, maar enige voorbereidingstijd toch met mijn ouder worden is hoe langer hoe meer vereist.

Kortom van allerlei dat verre van chronologisch bij me boven kwam. Ik ben indertijd toen ik kort na 2000 uit de Randstad vertrok van den Haag nog afscheid gaan nemen. Zo had ik er mijn eerste vriendje gehad en daar beslist dierbare herinneringen aan overgehouden. Met mijn collega Truus verkende ik indertijd de stad. Een keer liepen we tegen twee jongens aan van de A.B.K. Met hen bezochten we de kermis op het Malieveld. Ook gingen we er op dansles. Daar liep ik tegen een Otto aan. Toch was ik nog bij lange na niet aan een vast vriendje toe.

Broer Hans kwam ik slechts heel af en toe tegen. Hij zat er toen als inspecteur bij de politie. Wij bezochten elkaar niet.

Later vanuit Groningen had ik er nog een keer een rendez-vous met Nuno, ’n journalist uit Portugal. Die was ik met Hennie toen, in Groningen tegengekomen. Het hotel waar we toen waren staat er niet meer. Dat steekt me. Maar ja, zo gaan die dingen. Toen had ik amper grip op wat ik, naast die verpleging wel of niet deed.

Hoe zou mijn leven gegaan zijn als ik er in plaats van naar Groningen te trekken er gebleven was? Door “manlief” kwam ik er weer terug.

Ik ging nu op mijn fietsje door de poortjes naar het binnenhof. Veel bijzonders is er niet aan te zien, anders dan dat die plek geregeld op tv te zien is als er parlementariërs door journalisten worden aangeschoten en ondervraagd? Ziet er natuurlijk voor bezoekers van elders wel bijzonder uit, alleen zie ik dat er niet meer zo aan af. Wel valt op de karakteristieke bouwstijl, erg verschillend in vergelijking met die van elders in de stad. Ik sla linksaf en steek over richting de Voorhout.

Had mijn zinnen gezet op een drankje in de Posthoorn. Ik had daar wel eens eerder gezeten. Ik geloof niet dat ik me zijn illustere bezoekers van indertijd ooit gerealiseerd had. Tegenover le Bistroquet als ik het goed heb en….de amerikaanse ambassade? Iemand op facebook had er over verhaald, vandaar mijn wens om er zelf ook een keertje wat te gaan nuttigen. Voskuil van “het bureau” laat er Maarten Koning en zijn Nicoline geregeld die gelegenheid bezoeken. Een foto hangt er van de schrijver in de gang, onder Gerrit Kromrij zag ik vluchtig. Het liet nu ook wel een goed en apart publiek zien. Binnen zat een groep mannen nogal luidruchtig met elkaar te zijn. Buiten droop er wel enige arrogantie van de bezoekers af. Maar ik zat even lekker aan mijn biertje wat te mijmeren. De bediening, nogal onverschillig, getuigde er niet van veel betrokkenheid met hun gasten. Vermoed dat dat vroeger anders moet zijn geweest. Wat er geserveerd werd zag er wel heel lekker uit. Een volgende keer d.v. zal ik er wat gaan eten ook. Ik hoorde vandaag dat hun kroketten fameus zouden zijn, zag die echter niet op de kaart, wel bitterballen.

Mijn boterhammen met pindakaas had ik nog in mijn tas. Ik ging op zoek ergens naar een bankje om ze te nuttigen. Daarna ging ik naar Maria, met wie ik een afspraak had. Met haar met de tram naar Scheveningen, “een boulevardje pikken”, zoals zij zei en bij Simonis een visje eten. We kwamen 2 keer langs de Badhuisweg. Daar hadden Waldie en Jaap ergens eens gewoond. Beiden al een tijd lang overleden nu. Hun twee jongens zijn voor mij in de “mist” verdwenen.

HJR (3-8-’17).

Verdwaald

Gisteren op het perron een in het wit geklede, normaal verzorgde vrouw met een handbagage karretje en nog wat andere meegezeulde spullen. Ze was de hele tijd in gesprek met een vrouw van NS. Ik luisterde niet, ook al ving ik een paar woorden op. Ik kon haar er even niet bij hebben, zo zeer was ik nog gevuld met eigen dingen.
Toch is ze blijven hangen in mijn geheugen. Ze was één halte in mijn richting meegereisd. De trein ging verder en liet haar achter op een in de verlatenheid liggend perronnetje. Waar was ze op weg naar toe? De NS medewerkster had ik een andere plaats horen noemen, de andere kant op. De vrouw van het spoor was zichzelf alsmaar aan het herhalen: “hoort u me”? “Begrijpt u wat ik u zeg”? “Ik zal het u nog één keer uitleggen”. ” Misschien kunt u het opschrijven”. De vrouw zelf hoorde ik niet. Wat moest ze? Wat wilde ze? Er was iets wat niet klopte. Ze leek me verdwaald te zijn in ons stelsel van transport. Ze sprak kennelijk Nederlands, dus taal was niet het punt geweest.
Hoe oud ze was? Een jaar of 40? Maar ze leek helemaal van de wereld los geraakt. Althans zo was ze op me overgekomen en in mijn herinnering blijven hangen.

Zoiets kan natuurlijk maar zo. De bedenkers van ons wegennet en allerhande ander ’vervoer’s traject, ze menen dat het eenvoudig is, maar je moet het natuurlijk wel snappen. Een beetje weten hoe plaatsen t.o.v. elkaar liggen, de logica begrijpen die aan welk systeem dan ook, ten grondslag ligt. Kleine kinderen hebben er geen weet van, voor ouderen wordt het ook steeds lastiger en voor demente bejaarden al helemaal. Maar ook voor hen die anderszins verdwaald zijn in hun eigen geest.

Zijn ze net als de bejaarden te duur geworden voor de samenleving? Is er nog wel een vangnet voor ze of een instantie die enigszins over hen waakt en dat ook in de toekomst zal blijven doen? Ik hoop het.

Ook in de samenleving kloppen de dingen veelal niet, maar gelukkig vaak ook wel.

—————

HJR

Uitleg graag

Inenterij betreffend

Het was/is in het nieuws: ouders laten hun kinderen steeds minder inenten. Men gaat nu onderzoeken hoe of dat komt.

ikzelf zou nog steeds aan mijn kinderen die prikken willen laten geven. Ik wil mijn kind niet extra aan gevaren blootstellen en wil ook rekening houden met het algemene belang van de hier bedoelde vaccinaties.

toch blijf ik met de vraag zitten, hoe men aankijkt tegen het kunnen en moeten continueren van vaccinatie in de nabije, en vooral de verre toekomst. Schiet men erin niet te ver door? Zou die vanzelfsprekendheid van het vaccinatie programma niet ook eens tegen het licht van kritiek gehouden kunnen worden?

Ik zou uitgelegd willen hebben hoe het administreren, het realiseren en continueren van deze hele inenterij kwestie  gaat en hoe of men dat in de toekomst denkt te zullen gaan doen. Hoe leggen we het de verschillende andere landen uit, en hoe hun burgers? Want zoals wij nu bezwaren zijn gaan aantekenen, mondig als we als samenleving aan het worden zijn en inmiddels zijn, zo zullen elders ook mensen stil gaan staan bij kwesties zoals deze.

Wat is dat precies voor goedje dat we ingespoten krijgen? Hoe paternalistisch werd er in voorbije tijden niet met ons omgesprongen. Inmiddels willen we uitleg hebben en terecht. En ook willen we antwoord op onze vragen.

Ik snap dat overheden risico’s op epidemieën  willen vermeiden en dat ze daar maatregelen voor treffen. Maar hoe zit het met resistentie? Heeft het zin om zo naar die 95% norm te streven, vooral omdat dat in de toekomst misschien wel eens niet gehaald zal kunnen worden en die hele inenterij een relatief kort leven beschoren zal zijn vanwege nog meer eraan gekoppelde bezwaren.

We gaan uit van een geordende samenleving, een wonder op zich. Verbaas me er over dat alles steeds zo blijft functioneren als dat het doet. Beelden van elders doen beseffen dat die orde verre van vanzelfsprekend is. Maar zelfs daar lijkt er orde in de chaos.

De vaccinatie tegen kinderziekten is ook elders kennelijk al gewoon.

HJR (25-6-’17)

Zie ook: http://wp.me/p1DNWA-138 (’n lastige kwestie)

Een vader met zijn zoontje aan de wandel.

Ik fietste ze achter op, nam aan “een vader met zijn zoontje aan de wandel”, met in vaders hand ook nog een hondje aan de lijn. De jongen liep wat te “slungelen” met zijn lichaam. Ik stapte af, er kwam een brug die ik liever lopend over ging “Nou jij hebt een eind gelopen”? Zei ik tegen het jochie. De vader draaide zich wat lachend naar me om, “zag u ons al eerder”? “Nou nee, maar u bent hier al een eindje van de gewone weg af”, we waren op een fietspad, buiten de bebouwde kom….. en ze moesten ook daarvoor al een eind gelopen hebben, zou niet weten van waar ze al wel niet gekomen zouden moeten zijn. Het jongetje keek me ook lachend aan en had het over een rondje dat ze aan het lopen waren en de man hoorde ik iets onduidelijks zeggen over een verkeerde weg ingeslagen te zijn. Ze waren nu van plan naar Baarn te lopen en daar dan de trein te nemen. “Mijn hemel” dacht ik, “dat is nog een flink eind van hier” en het liep al tegen het einde van de middag. Maar welke kant ook op, het zou nog ver lopen zijn. Ik keek naar de benen van het jong en naar zijn schoenen, die zagen er gelukkig wel in orde uit. Hij had al wel wat vermoeid uitziend voor me uitgelopen. “Hij is al vijf dat kan hij wel”, zei de vader, die waarschijnlijk mijn “zware hoofd” zag met betrekking tot de kwestie.
Ik heb nooit iemand meer achterop, bovendien, nu extra lastig met die mand. Ik zag niet hoe hen te kunnen bijstaan. Ik liep even met de vader op, de jongen rende voor ons uit over de brug. Een beetje eng, want stel …..eronder lag diep water. Maar het ging goed. Hij zei aan het eind weer dat ze een rondje liepen en nu ook had hij het over de trein.
Ik stapte weer op de fiets en liet ze achter me. Zag het voor hen nog knap lastig in. Maar zo gaat dat als een probleem niet echt het mijne is. Ik schudde het van me af.
Ik was ook een rondje aan het doen, ook wat in het wilde weg, maar op de fiets. Dat gaat wat vlugger en je kunt zitten terwijl je voortgaat.
Een eindje verder besloot ik terug te keren en aan de andere kant van het water de andere richting op te gaan. Die weg had ik per slot nog nooit gereden. Hier had ik gezien wat ik wilde zien, en wist nu waar ik op de boot kan stappen, op welke dagen en hoe laat: een tochtje nl om in de komende maanden een keertje te gaan doen. Terug richting brug dus.
De vader en zijn zoontje waren gestopt met lopen en vlak bij de brug aan het water op een bankje gaan zitten en zaten er nog steeds. Zouden ze er wat hebben zitten eten en drinken? De vader had een rugzak om. Hoe zij vandaar verder gingen en hoe of dat moet zijn gegaan, dat hield me nog wel een tijdje bezig. Ik stond er vanmorgen zelfs mee op. Een man zonder de moeder van het kind, van “toeten noch blazen wetend” op het gebied van hoe of het zijn moet met een kind? Ik nam zonder ook maar iets te weten het één en ander zomaar aan.
De afgelopen jaren hadden er langs ’s Heren wegen wel meer vaders met kinderen gegaan. Zoiets komt wel vaker voor. Heb ook aan Rémy moeten denken en Vitalis. Kwestie van aanvaarden? Denk het wel.


HJR (6-6-’17)

Van vroeger thuis.

Dierbaar,IMG_6366

Normen en waarden, waar hebben we het over? De onze dan wel te verstaan? Ik zou het in dit verband misschien liever hebben over gewoontes of gebruiken. Hoe of ik opgroeide met een vader en een moeder, de één aan het werk, de ander thuis. Dat gaf stevigheid. Hoekstenen van de samenleving werden ze genoemd, #gezinnen. Dat kunnen we tegenwoordig in dit verband niet meer zeggen. Het zelfde geldt natuurlijk voor de diverse verschillende stromingen in de kerken, “zuilen” genoemd. We stopten massaal met “in God te geloven”, en alles werd langzamerhand toe gestaan als “winkelen op zondag”, behoorlijk ontbloot op straat, gebruik van verdovende middelen,….blijheid gekoppeld aan vrijheid. Alle richtlijnen overboord.
Maar we hadden goed onderwijs, de kinderen mochten hun eigen studie financieren, er was goede zorg voor “jan en alleman” en nog een behoorlijke welvaart bovendien. Dat Slochteren dat allemaal mee hielp financieren drong toen niet echt tot ons door.

Helaas, de decadentie sloeg toe. Men ging alles nl. ook nog eens vanzelfsprekend vinden en het was allemaal vanwege prijsvechterij nog betaalbaar bovendien.
Zo kijk ik er tenminste in grote lijnen tegenaan. De terugslag moest wel een keertje komen. Of moet ik dat niet zo noemen, maar beschouwen als een logische ontwikkeling? Want inderdaad, de rollen zijn wat omgekeerd aan het geraken: vrouwen hebben nu vaak goede banen en de mannen zitten thuis. Veel ontslagen in de zorg, het werd gewoon te duur. Bejaardenhuizen moesten dicht, want mensen bleven liever thuis, althans dat werd gezegd, ook al loerde eenzaamheid om de hoek en waren woningen niet berekend op de juiste zorg. Het onderwijs ging kampen met te weinig leerkrachten, gezinnen vielen uit elkaar, kinderen liepen verloren rond. “Jeugdzorg” ging eveneens al eerder op de schop.
De meeste informatie komt via de media tot mij. Anders zou ik ook niet verder kijken kunnen dan mijn eigen neus lang is. Zou het dan allemaal maar loos alarm zijn? Zou zo maar kunnen. Fake-news noemen ze dit geloof ik.
Al met al vind ik toch dat onze ruggengraat in de westerse samenleving zijn stevigheid aan het verliezen is. En dat betreur ik ten ene male, omdat ik zo veel van waarde hier in ons westers bestaan graag zou willen behouden. Het zijn vooral de nauwelijks te benoemen subtiele dingen die ik hier beoog. Geluiden betreffend, geuren, het als vanzelfsprekend aanvoelen van bepaalde gewoontes, eigenlijk die niet aan anderen uit te leggen dingen, aan iedere samenleving eigen.
Het kwam door die drie vorkjes en die twee messen, waardoor mijn gedachten met me op de loop gingen en hoe of het voor mij voelde dat ons bestaan zoals we het ons zo graag wensen, ons uit de handen glipt en tussen de vingers aan het verdwijnen is. Hoe graag ik ook vooral mijn vorkjes bewaard zou willen zien, als kleine overblijfselen uit een periode waarin mijn wortels liggen en die van mijn nageslacht. Met die vorken prikte ik als kind mijn in blokjes gesneden boterham. Nog zijn ze handig, maar vooral me oh zo dierbaar, vanwege dat “thuis” dat al achter de einder verdwenen is evenals zo veel anders van vroeger. Dus niet de normen en waarden zo zeer als wel die gebruiken, gewoontes en vooral de sfeer van toen.

HJR (24-5-’17)

———

Kinderdijk

“Kinderdijk”, ik had er geen weet van gehad. Burcu en Ebru waren er geweest. Daarna kwam het regelmatig “langs”. Het staat per slot ook op de wereld erfgoedlijst van de Unesco.
Zag een keer op een filmpje dat je er naar toe en rondom kunt fietsen. Leek me leuk om dat een keer met Iris te gaan doen. Ze stemde in. Gisteren was het toen zo ver. Eigenlijk leek het mij bij het voorbereiden van het tochtje wel wat aan de te hooggegrepen kant en Jacqueline zei ook al, “oh dan zie ik je niet meer terug”.

We hebben het gered en ik heb het er heelhuids afgebracht. Was ik vorige keer met die ov-fiets nog gevallen, dit keer bleef ik overeind. Het zijn de terugtrap remmen van die fietsen die voor mij lastig zijn geworden, vooral bij het niet meer nauwkeurig kunnen stoppen.
We moesten allereerst een stukje Rotterdam door, van het station tot aan de haven bij de Erasmus brug. Ik ken het daar heel slecht, vooral omdat het bij het station behoorlijk is veranderd. Had het van te voren wel opgezocht en ’t zelfs letterlijk uitgeschreven. Maar de wegen waar we langs kwamen heetten niet hetzelfde. ‘T Weena b.v. zag ik nergens staan. Maar gelukkig, Iris schroomt evenmin om aan andere mensen de weg te vragen en zo kwamen we toch op een gegeven moment bij de brug over de Maas. Mijn moeder had daar als kind gewoond, maar ook zij zou het er allemaal niet meer herkennen.
De waterbus die stond er, het was alleen nog niet de goede. Wij moesten met lijn 20 en wel naar Alblasserdam. Die zou zo komen. Van daaruit wilden we dan fietsen. Het was wat koud, maar er was zon en weinig wind. We waagden het er maar op en stortte ons in het ongewisse.
Het bleek allemaal te werken: de fietsen konden in een rek en wij gingen zitten aan het raam. Veel van de omgeving op het water zag je niet. Het gaat er ook om het vervoer, niet om het uitzicht. We deden een paar plaatsen aan w.o. Ridderkerk.
In Alblasserdam gingen we dus van boord. Daar was het niet echt geweldig. De toeristen informatie, voor een kaartje van het gebied, bleek gesloten. Ze verwachtten er kennelijk nog geen “kip”. Toen maar op de bonne fooi het bordje naar de molens volgen. Op het fietspad zelf stonden hier en daar ook molens geschilderd.
Het was er heerlijk fietsen, ik genoot. Links van ons een breed water. En rechts speurden we naar een plek voor koffie. Daar waren we beiden die ochtend, voor mijn doen zeer vroeg op pad, nog niet aan toegekomen. Zou er iets zijn? Een man beloofde ons als eerste mogelijkheid een “van de Valk”. Alleen het was iets anders wat we toen passeerden. Wij door, want verheugden ons nl. op het gebak. We schoten weer iemand aan, we moesten terug. Het bedoelde restaurant was in andere handen over gegaan. ’t Bleek ook te klein er voor te zijn. Ze hadden gelukkig wel heel lekker eigen, ander gebak. Twee koffie namen we beiden ieder.
Inmiddels liep het tegen enen, het werd tijd voor de molens. Het ging mij vooral om het in die polders te kunnen fietsen. Van binnen hoefde ik geen molen te zien, was ik vroeger al eens in geweest. Eigenlijk waren we er best gauw ook weer uitgekeken. Je had er links een stel, daar mochten we niet langs, daar woonden mensen in, en rechts. We maakten er wat foto’s en keken om ons heen.
Iris had graag vanuit Dordrecht gewild, zo’n leuke stad en ’n mooi museum….. en dan had ze van daaruit naár de molens willen gaan. Ik ging daarin niet met haar mee, maar wilde toen wel van daaruit er op de fiets naar toe. Dat was een slechte keus, want een nogal lelijke en ook door die brug een wat onmogelijke weg. Nou ja, goed voor de conditie dan maar.
Van de Merwekade in Dordrecht terug naar Rotterdam. Iris kon haar terugboek tijd van vijf voor vier bij de NS niet meer halen. Tijd over dus voor de kroeg. De Witte de With straat kenden we allebei. Aan een lunch waren we niet toegekomen. Nou ja, ik had wat brood gehad, maar Iris niet. Bier met bitterballen, ieder drie. En…zelfs nog een extra biertje toe. We hadden duidelijk dorst gekregen van dat fietsen. Toen nog wel even extra voorzichtig doen richting station. Zag er mooi uit, hoe dat er bij lag toen we er op af reden.

Tegen achten thuis. Een potje op het vuur. Lekker eten met zelfs toch ook nog een glaasje wijn. Bekaf en onder de wol. Sliep de klok bijna rond.

Bij deze.

——- HJR (11-5-’17)

Verpleging

Algemeen Provinciaal Stads en Academisch Ziekenhuis (APSAZ) te Groningen

Mijn herinnering begint er met mijn staan daar vlakbij de poort roepend naar Aukje, die daar uit het raam van haar kamer hing: “ik heb vrij nu”, riep ik, waarop Auk naar beneden kwam en wij met zijn tweeën de stad in gingen. Dat hadden ze gezegd: “jullie hebben nu een vrije morgen” of iets dergelijks, waaruit ik de conclusie had getrokken de verdere morgen “vrij” te zijn. Ze bleken er iets anders mee bedoeld te hebben, maar dat ik begreep ik pas later. Auk en ik togen naar V&D op de grote markt. Zij was dus mijn vriendin van de lagere school. Zie: …….. http://wp.me/s1DNWA-aukje

Een gezellig begin van mijn leven daar. Ik had er toen wel voor de nodige consternatie gezorgd, want “zuster Römelingh was weg”, duidelijk iets ongehoords, maar een nieuwe status was gecreëerd, van toen af aan kon ik aangesproken worden met “Zuster”.

Hoe we elkaar daar direct al gevonden hadden, weet ik niet meer. In elk geval was mij onbekend geweest dat Aukje vanuit Bloemendaal ook naar Groningen was getogen en er dezelfde opleiding was gaan doen. Ze liep aanvankelijk een half jaar op mij vooruit.

Ik begon er met de vooropleiding. Deelde er een kamer met Alie Velthuis, uit Onstwedde en deed er mijn eerste Gronings op: “de klok staat” deelde ze me mee, hetgeen ik als een overbodige mededeling beschouwde, maar waar zij iets anders mee bedoelde dan ik oppakte.
Alie ging niet verder met de opleiding en verdween heel plotseling en zonder afscheid weer uit mijn leven. Nu denk ik dat ze een afwijzing had gekregen, maar toen was die mogelijkheid niet bij mij opgekomen. Het heeft me tot op de dag van vandaag in onzekerheid gelaten. Om informatie erover in te winnen, daar was ik duidelijk nog te onnozel voor geweest.

Na de vooropleiding kreeg ik een kamer in het zusterhuis, verderop op het terrein en werd ik er op de afdeling Interne te werk gesteld. Dat gebouw lag aan de Oostersingel en werd later afgebroken. Mocht er toen een houten stoel uit mee nemen, die tot mijn verbazing nog altijd naar tevredenheid gebruikt wordt. Na een jaar in dienst, mochten we buiten het terrein in de stad op kamers. Ik verhuisde naar de familie Sneep in de van Sijsenstraat. Zo lang we op het terrein verbleven moesten we voor elf uur binnen zijn en anders ons melden bij binnenkomst. Daar was ik toen van af.

Een aparte wereld van het ziekenhuisleven ging voor mij open. Het was best pittig. Er was nog de zesdaagse werkweek en voor veertien dagen ging je bij toerbeurt de wacht in. Aan vooral dat laatste moest ik erg wennen. Ik kan me herinneren hoe ik mijn eerste nacht vanwege de omschakeling heb moeten overgeven. Ik geloof dat we in de vooropleiding al een nachtje mee hadden moeten draaien.

Patiënten lagen in het algemeen, zo ongeveer met z’n tienen op zaal, met tussen de bedden gordijnen, die rondom dichtgetrokken konden worden. Ze werden op bed gewassen. Achter hun bedden hingen de washandjes en handdoeken. Op het nachtkastje werd eerst de grote kom voor boven en vervolgens de kleine kom voor onder, met water er in neergezet. Heb er nu mijn twijfel over of we er koud of warm water in deden. Omdat ik me het protest van een meneer Zwiers ben blijven herinneren, geloof ik dat het koud water was waarmee we de mensen wasten. In het laatje lag hun zeep, naast pen, papier, bril e.d. maar ook hun snoepgoed. Tegen dat rommelige zootje, had ik nogal een afkeer, vooral als mij iets van het snoep werd aangeboden. De gebitten zaten ’s nachts in gebitten bakjes op het nachtkastje.
De wat meer welgestelden lagen op de klas. Dat ging daar vergeleken bij de gewone lieden best chique aan toe.

Boterhammen met boter kregen we ’s morgens bij de koffie. Die smaakten best. Collega’s. Voelde me er eigenlijk wel goed onder, zeker in het begin. Maar ik groeide er niet lekker door. Er waren natuurlijk rangen en standen onder: De hoofdzuster van de kliniek, de eerste verpleegster van de afdeling, en zo verder. Het lukte mij niet in deze hiërarchie op te klimmen. Niet dat ik daar naar streefde, maar is meer een constatering achteraf. Bij mijn eerste jaarlijkse beoordeling bij zuster Betje Bilgen, de directrice van het ziekenhuis, kreeg ik te horen dat ik met een air op de afdeling rond liep. Ze sommeerde me in het vervolg daarmee te stoppen. Mogelijk dat ik de doktoren aansprak en hen vroeg wat er bij een patiënt aan de hand was. Zoiets is het waarschijnlijk wel geweest. De jaloerse zuster Schiphorst pikte dit niet en wist me via Betje B. te raken. Dat is haar toen aardig gelukt. Ik werd er wel meer van op mijn hoede, en in elk geval onzekerder door. Maar hoe dan ook, ik heb er goed leren soppen en zelfs dweilen. De vrouwelijke patiënten lachten om mijn manier van dweil uitknijpen, en doe dat nu nog steeds verkeerd. En….bij het verlaten van de zaal of kamer even over mijn schouder kijken of ik niets heb laten liggen of overgeslagen. Dat is wel een goeie gebleken. Naar de hoofdzuster moesten we als er een thermometer kapot ging. Dan kregen we onder een reprimande een nieuwe.

Het eenvoudige verzorgen van mensen, daar had ik wel wat mee. Maar zodra het ingewikkelder werd, zoals injecteren, infusen en wonden verzorgen, raakte ik in paniek, alsof ik daar al bij voorbaat in zou falen. Op die gebieden werd ik dan ook niet handig.
Ik heb op diverse afdelingen gewerkt. Na interne kwam ik er o.a. achtereenvolgens nog op chirurgie, gynaecologie, en de kinderkliniek.

Drie jaar heb ik er in totaal gezeten, van 1959 tot 1962. De opleiding was er bij inbegrepen. In de praktijk was ik niet geweldig. De theorie ging me beter af. Heb er halverwege nog wel mee op willen houden. Dacht er toen over om over te stappen naar een analisten opleiding. Achteraf bezien, zou dat ook niets geworden zijn. Mijn vader schreef me in een brief dat ik beter kon blijven zitten waar ik zat: …….

Ik voelde me er niet op mijn plek, maar was vooral later wel tevreden dat ik er met mijn diploma was vertrokken. Het gaf me steeds wat meer kans op een baantje.

Ik had het verder toen in mijn leven wel naar het zin. Door die wisselende diensten was het leven ook nogal gevarieerd. Ik had er twee groepen vriendinnen, die van mezelf en die van Aukje.

Na mijn diploma wilde ik zo gauw als mogelijk uit het ziekenhuis vandaan. Jany was naar Engeland gegaan als aupair. Ik ging haar achterna. Mijn latere kamer op de Kraneweg bij mevrouw Meyer hield ik aan, maar liet daar wel iemand anders tijdelijk in wonen.

Ga nog om met Bettie uit die tijd en zoek af en toe Jany op die hier niet ver van mij vandaan woont.

Aukje woont in Florida, Gon is dood, met Hennie is het contact verbroken en verder ging het leven met iedereen zo zijn verdere gang.


HJR (9-5-’17)

Van school af en dan…..

ABW-TNO.
Na mijn schooltijd had ik nergens nog enig idee van. Uit huis, dat wel. Iedereen was er al weg, behalve ik. Vond een baantje in den Haag. Hoe, weet ik niet meer. Reageerde waarschijnlijk op een advertentie die ik ergens had zien staan? Er werd een “rekenares” gevraagd, bij ABW TNO, in de Haag. In de Jan Pietserszoon Coenstraat in het Bezuidenhout Kwartier. Je had er HBS B voor nodig. En er zou in Ploegendienst gewerkt worden. Dan moest ik wel op kamers. Ik solliciteerde, werd opgeroepen en aangenomen. Ik kan me nog herinneren hoe ik van ’t Staatsspoor gelopen had, zuidwaarts naar dat kantoor. Voel me daar toen ook nog zitten bij meneer Erlee, een volle, wat kale man. Ik vertelde hem ook dat ik zes, i.p.v. zeven jaar over de HBS gedaan had. Die leugen werd me nooit nagedragen, maar ik heb hem ook nooit meer herhaald.

Ik had er niet over gepiekerd om te gaan studeren. Ik was geen studie type. Ook al waren er een aantal vakken die me enigszins boeide en waar ik ook goed in was, zoals biologie en frans, maar er had zich niet iets duidelijks verder geopenbaard. Er was iemand die sociologie suggereerde, maar wat dat was, wist ik niet. Medicijnen studeren, dat kreeg zeker later iets onbereikbaar magisch. Hoe dan ook mijn moeder had al laten zien dat studeren op de universiteit nergens toe leidde, ja, om misschien een man aan de haak te slaan, maar dat vond ik een faliekant foute reden en ver beneden mijn waardigheid. En bovendien, hoe zo’n studie te betalen? Zou “handje op houden” thuis hebben betekend.
Het waren nog andere tijden, zeker vergeleken met die van mijn kinderen, die er geld voor toegestopt kregen met hun studiefinanciering.

Ik vond een zolder kamer in Voorburg, op de Laan van Leeuwestein in Voorburg, bij mevrouw (en meneer) Derksen van Angeren. Er was nog iemand daar op kamers, Cok, geloof ik dat ze heette. Die had al een vriend. Het was een huis zoals wij thuis ook min of meer hadden, een beetje mooier zelfs. Ik maakte het me er gezellig, kookte er af en toe op een plek op zolder die daarvoor was ingericht. Ik nam er een hamster voor de gezelligheid. Ik fietste naar den Haag of nam desgewenst de bus. Het begon al met Prinsjesdag. Op de Bezuidenhout reed de Gouden Koets voorbij, toen nog met Juliana erin als Koningin. Vanuit het kantoor stonden we daar aan de weg naar te kijken.
Er was een leuke groep van vrouwelijk personeel. Ik ken alle namen nog van die meisjes, jonge vrouwen die er toen werkten: Rite Geerding, Joke Slotboom, Truus Reith en noem maar op….We werkten dus in ploegendienst, de ene week vroeg beginnen, de andere week startten we ’s middags en werkten ‘savonds door. Dan kregen we een warme maaltijd opgediend. Er was een mevrouw die daar woonde met haar man, en als taak had voor dat eten te zorgen. Dat was lekker steeds. Rite stelde altijd de lijst op van wat te willen eten, slavinken met worteltjes en aardappelen, witlof,…hollandse kost dus.
Het was voor mij een leuke tijd, alleen in het werk kon ik mijn draai niet vinden. Ik moest duidelijk naar iets anders op zoek. Achteraf wel jammer, want de eerste computer werd er wel binnen gebracht. Een bakbeest van een ding dat “Zebra” heette. Het sprak me toen totaal niet aan. Begreep ook niets van wat ze mij er probeerde aan mijn verstand te brengen. Integraal rekenen, alleen het teken wat daarbij hoorde heb ik er van onthouden. Het bedrijf werkte toen nog met ponskaarten. Ik kan me die machines herinneren waar ze toen in moesten, en de lappen papier die er dan uitrolden. De grote verbanden ontgingen me totaal. Het betrof “bewerken van waarnemingsuitkomsten”. Het zei me echt helemaal geen fluit, maar vroeg het me ook totaal niet af.
Achteraf wel jammer, want hoe ver zou ik het in de ict niet gebracht kunnen hebben, als ik in die wereld zou zijn blijven hangen?

Hardop zocht ik me een ander baantje. Meneer Koenen ving dat op en briefde dat door naar de Heer Erlee. Toen mocht ik gaan. Niemand van de mede werkers heb ik ooit nog terug gezien, alleen op drie cruciale momenten wel die meneer Koenen.

HJR(6-5-’17)


 

Wordt zeer waarschijnlijk vervolgd met:

Intermezzo:

Dodenherdenking

Morgen dodenherdenking.

Ik doe dat altijd wel. Even plechtig stil zijn. TV aan, met de twee minuten stilte op de Dam erop. Ik kijk naar buiten en stoor me er dan aan als er toch iemand voorbij rijdt of loopt. Vooral aan degene in de auto. Die wandelaar is het misschien even vergeten. Die kan het dan later nog wel een keertje inhalen. De vlaggen buiten half stok. Jaar in jaar uit.

Beveiliging bij Dodenherdenking op de Dam

2017-05-04 15:35:15 AMSTERDAM – Beveiliging rondom de Nationale Dodenherdenking bij het Nationale Monument op de Dam. ANP ROBIN UTRECHT

En ondertussen probeer ik die twee minuten een bepaald beeld voor ogen te krijgen waarop ik me dan richten kan. Dat lukt nooit goed. Vraag me nu af hoe dat bij anderen is.
Als ik een boek lees over iets uit de oorlog, of een film zie, dan word ik makkelijk geraakt. Maar zo in het niets iets in gedachten voor de geest halen, en dat dan voor twee minuten vast houden vind ik lastig. Nou ja, het is ook de tijd van voorbereidingen er naar toe en dan ook weer er na, die een zekere plechtigheid hebben. Ik sta bij die totale ellende van de oorlog even gelijk met anderen stil. Dat delen met elkaar, dat heeft wel iets. Maar ik ga eigenlijk nooit naar iets gezamenlijk’s. Was wel eens een keer naar de ere begraafplaats in de Kennemer Duinen geweest, daar waar Hannie Schaft ook ligt, maar ik vond me daar toen niet op mijn plek. Heb dat dan ook nooit meer herhaald.

Het meest krankzinnige erin is natuurlijk die uitroeiing van de Joden geweest, of althans die poging daartoe. En dan komt bij mij als tweede die hongerwinter naar boven. Maar ook het idee dat we door een buurland zonder meer gewoon bezet werden. En dat er dan mensen waren die dit gewoon maar lieten gebeuren en goed vonden en zich aan gingen sluiten bij die bezetters. En vervolgens al die bombardementen en gevechten om ons daarna weer bevrijd te krijgen. Die oorlog “hakte” er zo in, in ons aller bewustzijn, dat dat wel het ergste was wat de generatie van mijn ouders en hun familie in het leven overkomen was. En dan was er ook nog het nodige in “ons” Nederlands-Indië gebeurt, maar daarover werden we pas naderhand goed geïnformeerd. Hoe erg of dat geweest was, daar in die kampen, het duurde even voor dat we daar van wisten. Maar die hebben hun eigen herdenking ergens in augustus.

Zelf heb ik van de oorlog, vlak ervoor geboren en als jongste in een gezin van vijf kinderen, bewust eigenlijk weinig hinder ondervonden. Slechts moment opnames uit die tijd doemen zo nu en dan op uit mijn herinneringen. Mijn leven start eigenlijk pas bij de bevrijding.
Maar ik heb wel over de oorlog gelezen, dus uit die anderen bronnen ben ik er meer dan voldoende over te weten gekomen.

Hoe ouder ik werd, hoe meer de gruwelijkheden er van tot me door drongen. Eerst nam ik er kennis van, hoe bv. Etty Hillesum in een boek beschreef hoe steeds meer plekken in Amsterdam voor haar niet meer toegankelijk waren. Dat leek me om te beginnen al zo verschrikkelijk om mee te moeten maken. En dat je daar als niet-Jood dan eigenlijk niets tegen kon doen. Daar moest je dan wel bijzonder dapper voor zijn geweest en vaak moest die persoon het dan ook nog eens met zijn eigen leven bezuren. Maar ik ben het ook wel als een soort van kruisiging gezien, en dan niet van één persoon, maar van een heel volk. Een volk dat nu in mijn ogen ons respect verdiend. Ze kunnen ook zo veel en zijn reuze intelligent. Ik heb daar persoonlijk erge bewondering voor.

Een heleboel joodse schrijvers hebben mij hun verhaal verteld, nou ja, via hun boeken dan. Mijn beeld blijkt noch verre van compleet. De laatste informatie was via de “Shoah”, een nauwgezette reportage vol gruwelijkheden, waar ik nog niet aan toegekomen was. Eén beeld bv. was nog stil in me blijven staan, hoe namelijk het moest zijn toegegaan in die treinen, volgestouwd met mensen, de meesten op weg naar hun einde. Wat moeten die mensen niet allemaal hebben moeten meemaken?

Nu we al een aantal jaren geconfronteerd werden en worden met op nieuw veel oorlog in de wereld en de gevolgen daarvan, was het begrijpelijk dat we ons leed van toen gingen vergelijken met het leed van nu. Ik ook. Hoe anders nu vergeleken bij toen? Waarom de oorlog van ’40-’45 herdenken en tegelijkertijd elders in een herhaling zijn beland van toen. Ik vind het een lastige kwestie. Maar ik ben inmiddels wel voorstander ervan om zaken niet door elkaar te halen en 4-mei te reserveren voor het herdenken van de doden uit de 2-de W.O en dan ook hun nabestaanden.

HJR (3 mei ’17)