Poëzie album

Kocht voor Rozemarijn een poëzie album. Half maart wordt ze zeven. Liep er tegen aan. Had indertijd aan Nanouschka, inmiddels 24, er ook één gegeven. Voor Loek en Renée kon ik dat toen later niet meer krijgen. Men was op vriendinnen-boekjes overgegaan. Maar nu, stonden er een paar. Deze roze vond ik prachtig. Maar,….hoe moest ik zoiets nu weer introduceren in een tijd waarin dit niet meer gewoon is? Die van Nanousch, zou die nog ergens binnen handbereik zijn? Waar kunnen ze versjes vandaan halen en plaatjes om er bij te plakken? Op internet valt er niet direct veel te vinden en evenmin in de boekhandels.

img_5951                      img_5950

Mijn eigen album te voorschijn gehaald. Het is van kort na de oorlog, hetgeen te zien is. Desalniettemin nu ik de versjes op nieuw lees en de plaatjes bekijk, hoe dierbaar toch ook weer. Er staat één iemand in die ik niet ken, misschien een opdringerig klasgenootje? Maar familie, onderwijzeressen, hulpen in onze huishouding en vriendinnetjes hebben er hun versje bij mij in geplaatst en daarmee raakte mijn album vol. Het zou best leuk geweest zijn als ik van meer een bijdrage zou hebben gehad. De tweeling Julie en Koosje, Nellie Wijsman en noem maar op. Aukje staat er in elk geval wel in en Carla en het eindigt n.b. met Mieke, die me op het laatst van ons contact zo heel erg duidelijk de rug toekeerde. Blijk Mieke overleefd te hebben, een zoete wraak?

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

HJR (7-2-’17)

——– 

PS. je kunt er natuurlijk allerlei gedichtjes in laten schrijven. Persoonlijke boodschappen ook of herinneringen aan iets gezamenlijks. Wie weet of Roos er iets moois mee doen kan.

Kerst en zo – (’16/’17)

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Het is voorbij, kan weer op adem komen. Ach, het is goed verlopen hoor. Alle drie de kinderen lieten van zich horen. En mede dankzij “Selma” werd het bijzonder.

Dat vele eten, waar het toch bij velen kennelijk om draait, daar doe ik niet meer zo aan mee. En ik wil ook niet zo veel drukte. Genoot van mijn spruitjes, biefstuk, aardappel gratin en zelfgemaakte appelmoes. Ik wil ook vooral die dagen in mijn eigen sfeertje zijn.

Maar ik koester die dagen wel. Ging, net als vorig jaar op kerstavond naar de kerk in de stad, ook nu weer een vorm van “thuiskomen”.  Ik zoek in de stilte naar mijn essentie van ons aller gezamenlijk bestaan. Denk terug aan hoe of het vroeger ging bij ons en later ook  in mijn eigen gezin gedurende al die jaren dat ik Kerst meemaakte in mijn leven.
Het mooiste toen was ooit het zingen in één van de oude gebouwen in het Apsaz. (Algemeen, provinciaal, stads en academisch ziekenhuis), ’s morgens, nog in het donker. Zoiets had ik nooit eerder gehoord en ervaren, heel mooi zoals dat klonk. Ik zou dat ook nooit meer zo meemaken, maar in mijn herinnering draag ik het bij me. Net zo als die keer dat ik met dochterlief ’s avonds naar de kerk was geweest en we later een lekke band bleken te hebben en dat we toen door een Turkse man geholpen werden en dat vervolgens Thijs bij thuiskomst op eigen initiatief voor een gezellige dis had gezorgd, hij die Kerst tot de “verplichte feestjes” rekende.
Ik vind het sowieso een lastig feest, omdat er zo veel verwachtingen om heen hangen en dat het ondoenlijk is om daar aan te voldoen, zodat er juist die dagen ook veel teleurstellingen om de hoek komen kijken.

Met Kerst wil ik allereerst met mijn familie zijn. Met hen wil ik iets essentieels van ons bestaan beleven. Is het niet bij elkaar, dan in elk geval in gedachten. Vandaar dat ik blij was met dat telefoontje van mijn dochter op het laatst nog gistermiddag. Had er niet meer op gerekend. De jongste had vanuit Engeland de dag er voor gebeld. Hij vertelde hoe de Christmas Stockings daar de gemoederen die dagen bezig blijven houden. Snap niet hoe precies dat werkt. De oudste kwam met zijn gezin gistermiddag een paar uurtjes bij mij door brengen: kaarsjes aan, het balkon verlicht, tulband, pot au feu, kaasjes met stokbrood en een lekker glaasje wijn natuurlijk. En voor de meiden had ik “Wiplala” opgenomen. Kenden ze niet.
En “Selma” dus. Ach wat een leven toch ook weer. Is goed om me zo nu en dan te realiseren hoe anders het elders ook toe kan gaan.

HJR (27-12-’16)

Tussen Kerst en Oud en Nieuw hadden we de eindejaarsmaaltijd in de woongroep en op Oude jaar ’s middags oliebollen en appelbeignets. Kwamen uit Spakenburg van bakkerij Hartog. ’s Avonds om twaalf uur even naar beneden. De 2-de jan. kwam Roosje bij me voor twee nachtjes. Met Roos naar het theater: “onbekend land”. Veel ouders en grootouders met kinderen. Apart stuk. Bij Roos sloeg het wel aan. Niek had haar gebracht, ik bracht haar met de trein weer terug. Ze is een heerlijk kind en zat dit keer goed “in haar vel”. In Zutphen met elkaar nog wat gedronken. Chris lag er ziek thuis. Hou mijn hart vast, m.b.t. hem.

Martijn zocht met zijn gezin begin januari Jeroen op in Londen.

en nu maar afwachten wat dit nieuwe jaar voor ons weer in petto zal hebben.

——-

Ter nagedachtenis

Heimen,

Eigenlijk heb ik niet het recht om over hem te schrijven. Hij is per slot “only the brother of my ex”. Gisteren kreeg ik een mail waarin stond dat hij dood was. Eind november al. ’s Avonds werd mij nog verteld dat hij levenloos gevonden was in zijn stoel. Uitgezaaide kanker en veel pijn had hij gehad. Zijn leven trekt nu aan mij voorbij met wat ik van hem weet en me herinner.

Hij trouwde nooit. Of hij relaties had? Hij was wel geestig. Eén van een tweeling, met z’n zus tussen twee broertjes in. Kwam op de wereld zonder zijn rechter hand. Gehandicapt dus? Hij kon met z’n stomp anders rake klappen uitdelen, weet ik van mijn ex.

Hij bewees zich als jonge jongen door met die éne hand van hem, een schip en ook een koets in twee flessen te bouwen. Die gingen later naar zijn zuster waardoor deze prestatie niet vergeten werd.

Afgestudeerd biochemicus, ’n intelligente jongen dus. Hij ging ons voor naar Nigeria. Hij werkte er bij Heineken in Apapa. Vanuit Ikeja hebben wij zijn woonplek nog wel bezocht. Hij zelf was toen al weg. Hij had er veel werk van zijn tuin gemaakt. We namen er een ananas uit mee. Of we die toen vervolgens naar zijn zuster brachten weet ik niet meer, maar namen wel een ananas voor haar mee.

Als hij dan vertrekt, naar hoe ver ook hier vandaan, ik verwachtte niet dat hij nooit meer terug zou komen. Hij berichtte van zijn huisje en zijn tuin aan de Rosalie ergens in Australië. Hij schreef ook over waar hij verder nog mee bezig was. Echt aan een baan kwam hij niet meer. Hij stuurde onze kinderen goed ingepakte mooie schelpen en naar mijn jongste ook nog een tijdje postzegels. Er kwam geen echt contact tussen hen en hem tot stand. En toen werd hij door hen in elk geval vergeten, om bij mij als b.v. Australië in het nieuws kwam, met branden of zo, even weer in mijn gedachten te belanden. Dan dacht ik onder andere ook hoe zijn moeder die, toen hij al weg was en zij bij ons op bezoek in Jeddah, aan hem moest denken toen zij in de tuin van het Kandara restaurant een man in zijn eentje aan een tafeltje zag zitten. Hoe zij hoopte dat Heimen niet ook zo alleen zou zijn, zo als die man voor haar leek. Dit had ik Heimen altijd nog eens willen laten weten. Maar ja, daar kwam het nooit van.

Een paar keer schreef ik hem een kort briefje. Hij antwoordde altijd, maar ’t waren “dooddoeners”.

Nu gaan we binnenkort allemaal die kant op. Dat laatste stukje lijkt me best cruciaal. Hoe je op een gegeven moment aan je eind komt. Van Heimen weten we dat nu een beetje, maar helemaal echt toch niet. Ik stel me het wel een beetje dramatisch voor en ben daar wat verdrietig onder.

Dat hij niet gekregen heeft waarna hij mogelijk in zijn leven op zoek was. Maar ik neem aan dat hij veel anders van waarde zeker wel zal hebben meegemaakt.

HJR (22-12-’16) Hanneke

Moet ik nu alle fotootjes van Heimen gaan verzamelen? Ik zou er toe geneigd zijn, maar doe dat toch maar niet.

Hope to meet him in heaven, may be for a better chat        

                                                                                                            .img_5850Schelpen uit Australië van Heimen

 

Élite

Wat de élite aangaat.

Hoe ik toen zo ver van huis had kunnen komen weet ik niet meer. We liepen te wandelen door een villawijk en passeerden een huis op een heuvel met een aan de straatkant achter een hoog hek in de diepte gelegen tennisbaan. Een jongen en een meisje waren er aan het spelen. Ik vond dat toen het toppunt van rijk zijn. Het meisje had lang blond haar en droeg een gele trui, de jonge had bruin haar en had een donker blauwe trui. Wat leek het me heerlijk om daar te mogen wonen. Het beeld van die twee heeft me nog een tijd lang vergezeld en met die jongen wilde ik heel graag bevriend raken.
Nee, ik heb ze nooit meer terug gezien. Kwam nog wel later eens langs het huis, met de auto waarschijnlijk of misschien zelfs met de fiets, maar nooit meer lopend. De tennisbaan bleef onbespeeld.
Mogelijk waren we met de “kabouters” op stap geweest. Dat was de padvinderij voor meisjes toen van de lagere school leeftijd. Voor jongens had je de “welpen”. Ik liep er namelijk in een klein groepje anderen, mogelijk met mijn “volkje” de Nixjes.

Zelf behoorde ik niet tot die élite zo mogen inmiddels duidelijk zijn, alhoewel ik geen enkele reden tot klagen had omtrent mijn woonomstandigheid van toen. En,…ik deed dat dan ook helemaal niet. In ons dorp troffen we de rijkeren wel en later zat ik met kinderen uit die kringen op school. Ik had er niet echt mijn vriendinnen tussen, maar ik kwam af en toe wel bij hen in huis. Ja, het woonde er anders, namelijk ruimer, fraaier en luxer. Het ademde een sfeer uit die me beviel, rust, zekerheid, stijl etc. Zo wilde ik later zelf ook  wonen, dacht ik toen. En dat is het waarschijnlijk, het geeft een doel, een richting aan die je in het leven op zou kunnen.
Want inderdaad, ik kwam in luxere omstandigheden terecht. Inmiddels weet ik dat je daarmee nog geen geluk koopt. En het is dan ook de vraag hoe zinnig het is om zo de materie alleen te laten bepalen wat zinvol is om na te streven in het leven.
Echt jaloers ben ik in elk geval nooit geweest, iets wat ik bij anderen wel vaak merk. Ze geven dan zo af op lui met veel geld. Ik kan me daar slecht in verplaatsen. Ik vind het juist goed dat er verschillende manieren van leven zijn. Zeker als er van onderlinge mobiliteit sprake is en niet zoals dat in India is met het “kaste systeem”. Ik vind jaloezie in elk geval een verkeerde houding. Men zou zich daar van moeten ontdoen. Mogelijk heeft men dat bij zichzelf echter niet eens door.
Die gegoeden, de jet-set noemt men ze nu, ze leven anders. Hun manier van praten, gedrag en gewoontes zijn wat meer als het ware ingestudeerd. Ik vind dat op zich wel knap. Ze voeren met elkaar a.h.w. een “act” op en kunnen onwillekeurig daarmee een voorbeeld functie hebben. In het studente corps maak je je onwillekeurig nogal wat sociale vaardigheden eigen. Zie Pieter van Vollenhoven en Mabel Wisse Smit, hoe zij zich als gewone burger lui zich toch betrekkelijk moeiteloos in onze koninklijke kring konden nestelen, met zelfs nog enkele anderen er aan toegevoegd. En zo zijn er een aantal lieden die, ook op internationaal niveau ons min of meer  kunnen vertegenwoordigen.
Daar komt dan soms wel decadentie om de hoek kijken. Dat is nl. als slechts de buitenkant wordt gekopieerd en niet a.h.w. de adel van de ziel.
Toch vraag ik me af of de rijken van nu nog wel zo zichtbaar zijn als vroeger. Hebben ze nog een staf van personeel? Het “upstairs, downstairs”,bestaat dat nog? Hoe worden bij hun de huishoudens nu gedaan? Jort en Ivo maken wel reportages over hen, maar hoe of er wordt schoongemaakt e.d., hoor ik ze eigenlijk niet.
Nog steeds staan die huizen in de villa wijken. Bezocht er vorig jaar nog een oud klasgenoot. Een heel leuk bezoekje, maar of ik nu zou willen ruilen? Nee, niet een leven wat me nu nog trekt.
—–
Maar, er is plotsklaps een andere groep mensen aan het woord élite gekoppeld. Welke is mij nog niet helemaal duidelijk. Toen ik hier naar vroeg, kreeg ik als antwoord: “alles wat niet als een blinde kip achter een populist aan loopt”. In dat geval leek me “autonomen” een geschiktere benaming. Ook “de politiek correcte” worden  er geloof ik mee aangeduid, maar die kan ik dan weer niet tot de autonomen rekenen.

Hoe dan ook “ik haak hier af”, of ik nu te oud ben of niet, maar zodra ik tegenwoordig het woord élite hoor, zet ik mijn luisterknop uit. Te veel onduidelijkheid kan ik niet aan en gekissebis erover nog minder. HJR.

Vanwege Jacques

Versie 2

Versie 2

jac-1  jac-2   jac-3   jac-4   jac-5   jac-6   jac-7  jac-8  jac-9  jac-10  jac-11  jac-12   jac-13    jac-14    jac-15   jac-16      jac-17  jac-18  jac-19  jac-20

Zo bezig zijnd geweest met die brieven van Jacques was ik even terug in mijn tijd. Het speelde zich af rond de jaarwisseling 1960/1961, nou ja van 1/2 dec tot begin februari. Ik herinner me nog hoe ik daar toen liep in Groningen. ’s Avonds was het en donker. Ik geloof niet dat ik huilde, maar ik was wel heel erg geschokt. Jacques had het uit gemaakt. Ik snapte wel waarom. Tenminste,…. ik was jaloers geweest. We kwamen de bioscoop uit. Geen idee meer welke film. Jacques zag een studie genote en praatte met haar. Daar was ik nijdig over en had dat laten blijken. Als herinnering had ik nog wel van hem een tijdlang een groen glazen salamandertje tussen mijn boeken in de kast staan. De staart brak er op een gegeven moment van af. Toen gooide ik het maar weg. Hij had dat uit Antwerpen voor me meegenomen. Voor hem bracht ik toen later uit Oostenrijk een dikke grote kaars mee. Zulke kaarsen had ik bewust eigenlijk nog nooit eerder gezien. Voor hem als regelmatig kerkbezoeker in zijn katholieke jeugd zal het minder bijzonder zijn geweest. Maar hij had zich er wel blij mee getoond. Toen hij het had uitgemaakt moest die kaars heel snel opgebrand worden. Hij wilde me weer uit zijn leven, hoe eerder hoe liever. Tja.

fullsizeoutput_2140

jac-13


jac-20
Al met al heeft de affaire dus hooguit anderhalve maand geduurd en in die tijd waren we het grootste gedeelte ervan niet in elkaars gezelschap geweest. Het speelde zich ook voornamelijk af in het hoofd van Jacques en het waren zijn gevoelens die hij op mij projecteerden. Maar, ik vond hem wel leuk, ook al had ik er een hard hoofd in of ik, vrijbuiterig als ik was, in die streng katholieke familie wel zou passen. Wist toen natuurlijk nog niet dat er ontkerkelijking stond aan te komen. Maar los daarvan had Jacques zich een beeld van mij gevormd, waar ik met geen mogelijkheid aan zou hebben kunnen voldoen. Toen ik op wintersport was schreef hij me iedere dag. Hij herhaalde zich nogal, maar wist dat wel in steeds weer verschillende bewoordingen te doen. De brieven ademen ook de sfeer van toen.

Zoals ik al schreef, hij overkwam mij, inclusief dat abrupte einde. De herinnering aan die episode bleef voor de rest van mijn leven bestaan. Ach, niet van minuut tot minuut, maar als algemene impressie. Eén keer kwam hij nog met anderen mee, op mijn kamer. Dat was toen Hannie Zijlstra, de vriendin van Jan, zijn broer, tijdelijk mijn étage ging bewonen toen ik voor een tijdje naar Engeland ging. Jacques en ik keken elkaar toen alleen maar aan. We hebben geen woord meer met elkaar gewisseld. Daarna zag ik hem nooit meer. Over hem praten deed ik evenmin, op die ene keer na misschien toen op die zomerse dag in de tuin bij Gon in 2002/3? Toen hoorde ik iets van hoe of het verder met hem was gegaan. Hij werd in Roosendaal leraar Frans. Niemand die ooit geweten heeft hoe jammer ik het gevonden heb dat het toen uit ging.

Nu terugdenkend aan die tijd, is het alsof er een grauwsluier over hing. Er was nog geen welvaart. We wisten niet beter, ik zeker niet. Het buurtje waar Jacques in een huis woonde met die andere jongens, Paul, Henk en die Chinese jongen, Bong genaamd en met zijn broer Jan, was in mijn herinnering een weinig florissante plek. Jacques kamer staat me nog bij: een bureau, een stoel er voor, een fauteuil, zoals hij die noemde met een raam erachter met uitzicht op ’t één of andere diep en dan nog een bed, vlakbij de deur. Kortom voor mij bijzonder. Hoe vaak ik daar geweest ben? Ik weet het eigenlijk niet. De franse sfeer vierde voor mij hoogtij in die dagen, het existentialisme, met de in het zwart geklede Juliette Créco en de franse liedjes, met Guy Béart als mijn geliefde zanger. In mijn verbeelding vond ik daar bij Jacques wat van terug. Het mocht ook somber zijn en grauw.

Aan de andere kant op een keer op een zondagmiddag ging ik mee naar zijn tante die in Haren woonde of Helpman. Daar heerste een soort van zoete instuif met veel jongelui. Er werden spelletjes gedaan. Heel leuk. Mij lukte het later niet zo een sfeer te creëeren, ik kwam dan ook niet uit het vrolijke katholieke zuiden.
Ik heb aan hun huis ook nog een jongen “geleverd”, Sietse geloof ik dat hij heette. Die had ik in het ziekenhuis leren kennen, waar hij een studenten baantje had. En dan was er Ron, van collega Gon, die er naast woonde en waar zo nu en dan de feestjes werden gehouden.
Ik kende ze via Aukje. Ik hoorde er niet echt bij, maar wilde dat wel. Ik moest nog groeien, nog iemand worden. Ik “schuurde” me even aan hen, waarna ik mijn ontdekkingstocht verder elders vervolgde.
Ron en Gon zag ik door de jaren heen nog wel. Van hun dood werd ik pas later verwittigd. Jenny, een vriendinnetje van Paul is overleden en verder weet ik het niet. Mieke en Evert Wim…? Alleen Jany zie ik af en toe nog. Ga soms even bij haar langs vanwege Aukje, die in haar uppy nu in Florida is beland.

Het is best gek dat nu ik dit zo opschreef er verdriet naar boven komt. Ik heb geen flauw idee waarom.

——-
HJR (29-11-’16)

Nawoord. Bedenk me dat het misschien komt doordat we nu allemaal één voor één gaan sterven. Dat we afscheid moeten gaan nemen van het leven.
Doordat we toen ook nog niet konden weten, dat wat we verwachtten en/of hoopten, in de realiteit er heel anders eruit zou gaan zien. De zwaarte van het echte leven konden we nog niet kennen. Teleurstellingen alom. Natuurlijk het werd fraai, we kregen mooie kleren, fraaie huizen, maakten leuke reizen, kortom we werden en masse welvarend, de meesten van ons kregen kinderen. Maar elkaar raakten we wel kwijt, zo we elkaar ooit al toe behoorden. Toch bleef men uit het “Griffestraatje”, elkaar wel zien, zoals ik heb begrepen en ook de “zusters” hadden soms een reünie. Van dat laatste maakte ik er een paar van mee.
De warmte bij elkaar, wie heeft het kunnen vinden, al of niet met “water bij de wijn”? Kwamen er misschien toch wel een aantal van een “kouwe kermis” terug. We hebben leren accepteren, we kwamen erachter waar het in het leven om te doen was nl. “Ervaring op doen”. Toen liep ik nog met mijn kop in de wind en mijn lichaam alle kanten opspringend. Ik hoorde er niet bij, ik hoorde nergens bij waar ik toen was. Ik moest mezelf in het leven nog zó ontdekken.

Voor het eerst hier in de woongroep geloof ik dat ik op mijn plek ben. Wel denk ik met enige heimwee terug aan de tijd van toen. Omdat we nog zo met elkaar als het ware in het ongerepte leefden, de tweede wereld oorlog lag achter ons, de wereld met zijn vele mogelijkheden toen voor ons. In de verste verte konden we niet vermoeden dat we er met ons allen zo een puinhoop van zouden gaan maken. Tenminste daar lijkt het wel op te zullen uitdraaien met die opwarmende en inmiddels behoorlijk vervuilde aarde en vooral met al die mensen die niet met elkaar uit de voeten kunnen. Het beroerde is dat we als mensheid zo verdeeld zijn, zelfs hiér in Europa, laat staan met de andere volken erbij gerekend, waardoor er geen of nauwelijks overeenstemming wordt bereikt over hoe onze handen in één te slaan om de juiste maatregelen te kunnen treffen. En hetzelfde geldt in het klein in de gezinnen, de families, de kleine woongemeenschappen. Neemt niet weg dat ik voor mezelf geen echte reden tot klagen heb, maar net als Jan Terlouw in DWDD laatst, gun ik onze kinderen en kleinkinderen dat zij het ook, net als wij het naar hun zin in het leven kunnen hebben.

Ik denk dat door dit me, alles bij elkaar, een ogenblik te realiseren, dat dat het was wat me eerder ontroerde.

2-12-’16

HJR

’n lastige kwestie

Inënterij betreffend

Wanneer het begon, weet ik niet zo goed meer, in elk geval toen die inënterij aan bod kwam. “Wat krijgen we nou in vredesnaam”? vroeg ik me af. Met de andere “partij” in de oppositie, leek het mij het verstandigst om me verder koest te houden. Had ik het gevecht moeten aangaan, had ik het hoger op moeten spelen? Ik wist toen al dat ik aan het kortste eind zou trekken, zonde toch van alle energie er aan besteed? Bovendien ik had die energie ook niet.

Maar uiteindelijk ging het wel om het belang van de kleinkinderen, de mijne dan in dit geval. De machtsstrijd met de “ex”, leek zich toen mede te verplaatsen naar de dochter. Daar was ik verre nog op voorbereid. Ik snapte bovendien ook wel een beetje waarom men tegen die inenting zou kunnen zijn. Ik geloof ook wel dat je kind er schade van kàn ondervinden. Maar ik zou zelf het risico nooit hebben durven nemen door die inenting niet te laten gebeuren, omdat je kind dan wel zijn of haar hele verdere leven meer risico loopt. Stel ze gaan later reizen dacht ik toen, voor werk en of plezier….? En nu, met al die vluchtelingen hier….. Maar ja, als je het afzet tegen de, nou ja, de eeuwigheid is wel een heel lang shot, maar,….hoe lang kan men met zoiets als deze preventieve zorg doorgaan…? Hoe lang is zo een vaccin werkzaam? ’n Kwestie van veel voor’s en tegen’s dus.

De westerse samenleving hebben we redelijk immuun gemaakt voor een aantal ziektes. Daar profiteren de kinderen die niet ingeënt zijn nu van. Ik kan me voorstellen dat ouders lak hebben aan het algemene nut en het belang van hun eigen kind voorop stellen. Het is al met al, als je het goed beschouwd lastig om hier tot een weloverwogen besluit te komen. Ze hebben het ook nooit aan ouders voorgelegd, noch hen er erg duidelijk over geïnformeerd, dat realiseer ik me pas nu. Ik hield me koest omdat ik alle voors en tegens onmogelijk met Dochterlief toen kon bespreken. Ik dacht ook toen dat het voor Niekie, jong als ze nog was, een veel te ingewikkelde zaak was. Een inzicht gevend gesprek zou onmogelijk zijn geweest, zeker met, heel onverantwoordelijk, Pa en partner ook nog op de achtergrond van invloed.

—–(23-11-’16).

Ode aan het moederschap

Roosje                                            fullsizeoutput_2134

Het behoort tot een van mijn mooiste boekjes, “Roosje”, van Gerard van Westerloo uit 1994. Toen ik een kleindochter kreeg met die naam, kon ik niet anders dan dit boekje op een gegeven moment doorgeven aan mijn dochter. Er waren ook voor haar per slot wat extra raakpunten met het verhaal, “Kraantje Lek” b.v. en Noordwijkerhout natuurlijk.

Ik kreeg het terug. “Hoe kan dat nou?”, vroeg ik me af. Zo’n mooi verhaal.

—–

Roosje is Gerards moeder en die van zijn twee broers Ed en Fons en zusje Tineke.

“We hoorden dat ze dood was. We waren er niet bij. Ze stierf zoals ze, geleefd moet hebben. Erg alleen”.

“We wisten bijna niets van onze moeder, van toen ze onze moeder nog niet was”.“We hadden er geen idee van, hoe haar moeder die onze grootmoeder geweest is van haar voor- of achternaam heette”.

“Verdomme Gérard, wat weten we klote weinig”, zegt z’n nicht, als hij met zijn zoektocht naar zijn moeders “wortels” begint.

Haar moeder was gaan “kwijnen” en ging dood. Waaraan en hoe? Haar vader bracht haar en haar twee zusters in 1910 naar een “gesticht” bij de nonnen in Noordwijkerhout. Haar vader zocht hen soms op, maar betaalde nooit. Ze bleven er 12 jaar. Alleen op zondag gingen ze wandelen. Vakanties waren er niet.

Ik heb ze na de oorlog wel zien lopen, die kinderen uit de tehuizen. Ik vond ze er “anders” uit zien, hoe ze gekleed waren, en hoe ze keken en deden. Ik kende ze niet. Ze zaten niet bij mij op de openbare lagere school. Waar wel, wist ik niet.

Roosje werd wie ze werd, nl. een moeder van vier kinderen op een krappe bovenwoning in de Amsterdamse pijp. Dat had zij zelf zo besloten denkt Gerard haar zoon. Zij werd niet een deftige dame, een schrijfster of een dromerige actrice, waar ze misschien ook wel de talenten voor zou hebben gehad. (er is een foto in het boekje van toen ze een jaar of 18 was)

In 1922, toen ze 16 was ging ze in betrekking. Ze werkte verschillende adressen af.

Ze trouwde toen ze tegen de dertig liep. Zij werd een goede moeder.

Dat waren de jaren na de tweede wereld oorlog, voordat de welvaart kwam. De vrouwen waren thuis. Roosje werkte voor haar gezin. Af en toe moest ze voor haar man, ergens wat gaan bezorgen. Ze hadden ook veel familie van vader over de vloer, wat veel extra werk voor moeder betekende. En vaders moeder was ook nog lange tijd bij hun in huis. Ze was een “sloof”, vond haar dochter, de jongens zagen dat zo niet.

Roosje is van 1905, zij stierf in 1990, 85 jaar oud.

——

Ik weet waar het kindertehuis in Noordwijkerhout gestaan heeft. Ik geloof dat het toen wij er in 1979 kwamen wonen, net afgebroken was. Het beeld wat ik heb is van een kale vlakte met het bord van “Mens te Koop”. We kwamen er langs als we vanuit Leiden het dorp in reden. Zelf woonden we aan de andere kant. Zoonlief, net in de eerste klas beland, verhaalde hoe hij met de carnavals optocht mee, helemaal gelopen had tot “Mens te koop”. Later kwamen er splitlevels, die lange tijd onverkoopbaar bleven. Het ademde iets “spookachtigs” uit. Ik wist toen nog niet van Roosje. Maar de woningen bleken op den duur OK.

——

Er blijkt lange tijd “Niets over Marie, de moeder van mijn moeder“. te vinden. Tot er ’n rouw advertentie naar boven kwam, waarin verzocht wordt van elk beklag verschoond te blijven. Vanwaar dat vreemde waas rondom haar dood? Er blijkt ook nog een doodsattest bewaard te zijn gebleven. Het is dan 1910. Oma bleek aan syfilis gestorven te zijn, maar zich ook verhangen te hebben.

We verkeren in het gegoede rooms-katholieke milieu van een welgesteld Brabants dorp.

Welk een tragedie, wat een verdriet voor de moeder van Roosje.

Als tot Gérard de impact van dit alles doordringt, is hij diep geraakt. Gelukkig dat zijn moeder het meeste van die achtergrond niet heeft geweten, vindt hij. Of die knappe, maar lapswans van een Opa, waar Roosjes moeder voor gevallen was, die narigheid veroorzaakt heeft, is niet helemaal duidelijk. Ook in de familie van Roosjes moeder lijkt, zo ontdekt Gerard later nogal wat loos.

—–

Ik houd van familiegeschiedenissen. Hoe levens waren in vergelijking met nu. Hoe mensen deden en wat ze doormaakten en er mee omgingen. De tragedies die er waren, waardoor ik althans door de afstand in de tijd leer om van alles wat te gaan relativeren en ik mijn inzicht in het bestaan in het algemeen, er wat door vergroot. En hoe je voor de ene mens je hart open zet en voor de ander het juist sluit.

Roosje was een goede moeder, schrijft haar zoon, een warm mens. Hoe heeft ze dat geleerd en waar? Ik bewonder dat. Ondanks het zware van haar bestaan, wist ze er wel een succes van te maken, nl die jongens van haar die het zo goed zijn gaan doen. Dat je jezelf aan dat doel ondergeschikt kunt maken, ik bewonder die karaktertrek. Waar haalde Roosje de kracht vandaan? Ik vind dat gewoon mooi. Het ontroert me. Het beeld wat haar zoon schetst van “haar op weg naar het strand, zeulend met tassen boterhammen”, tegelijk een tijdsbeeld, blijft me bij. Om een voorbeeld aan te nemen. Een soort solidariteitsgevoel kwam bij me op. Het moederschap is nl. verre van een sinecure.

—–

Nu terug naar dochterlief. Heb moeten constateren dat zij en ik hierin in elk geval verschillend zijn.

Zij heeft ook niet die kijk die ik nog heb, van de jaren voor en ook van na de oorlog. Zij heeft niet gezien hoe het toen was en er nauwelijks iets van gehoord. Zij leeft in een latere tijd. Vrouwen moeten nu carrière maken, niks geen moederschap, of huishoudens die om prioriteiten vragen. Ik ben wat dat aangaat in mijn tijd blijven hangen.

Ik denk nu ook dat mijn dochter niet van zware verhalen houdt en dat ze niet goed tegen narigheid kan. Terwijl ik de realiteit juist in het oog wil houden, wel wil weten hoe of het zat en was, koestert zij zich liever aan droombeelden.

Roosje had natuurlijk ook de tijd mee. We gingen richting welvaartsstaat. Die brokkelt nu weer af en daardoor lijken de vooruitzichten nu ook minder rooskleurig en is de behoefte je te spiegelen aan zware tijden amper daar.

—–

HJR (20-11-’16)

Swenny

Het komt niet vaak voor dat je kan zien hoe je toekomst eruit zal zien. Mij overkwam het afgelopen vrijdag. Sindsdien ben ik er nogal van in de war. Moet herhaaldelijk terugdenken aan die dag. Ik ben er best ook door geschokt, terwijl daar nu toch helemaal niet direct veel reden voor is. Maar het is waarschijnlijk dat er tussen de verwachtingen van toen en de realiteit van nu zo een verschil is. Hoe de veranderingen in de tijd erin ook hebben mee gespeeld.

We zijn gegroeid natuurlijk, hetgeen ons is aan te zien met onze gerimpelde koppies. Ook voel ik op nieuw de er achter liggende zwaarte die die jaren voor ons beiden hebben betekend. Voor Swen natuurlijk op een andere manier dan voor mij. Het is alsof ik, me nu ook in haar verplaatsend, de er tussen liggende jaren herbeleef.

Het bleek ook dat we verschillend in dat gedeelde stuk jeugd hebben gezeten. Voor mij betekende Swenny meer dan ik voor haar. Misschien was zij het ook die dingen aandroeg, waar ik goede herinneringen aan bewaar. Hoe we op de fiets in alle vroegte de Haarlemmermeer intogen, om er bessen te gaan plukken. Toch best voor mij een bijzondere ervaring en herinnering. Later hebben we nog op een zuiveltentoonstelling gestaan, nou ja, meer achter de schermen dan op de voorgrond, maar ook dat was een aparte belevenis, waar we veel gelachen hebben. We hebben slechts twee jaar bij elkaar in de klas gezeten. Toen ging zij A en ik B. Misschien dat het door vader, als hun leraar kwam, dat zij en een aantal anderen met mij contact hielden?

Later kwam ze me opzoeken op mijn eerste kamer ergens. Dat heeft ook nog een detail opgeleverd wat ik mijn hele leven heb herinnerd. Ja en toen ben ik nog naar haar in Párijs gegaan, waar Swen een tijdje au pair was. Ook daar staan me altijd nog bepaalde dingen van bij. Vervolgens gingen onze levens uit elkaar. Ik geloof wel dat we elkaar nog schreven. Groningen en Haarlem lagen te ver uit elkaar.

Op mijn huwelijk kwam zij nog, inmiddels met man. Samen met Mieke had ze toen een act. Heel leuk. Als klap op de vuurpeil kwam ik bij haar toevalligerwijs mijn eerste kind nog baren, daarna was de rek van onze vriedschap eruit. Twaalf jaar na dato nog een keer onverwachts er  langs geweest en toen nog een keertje met elkaar gebeld. That was it.

Nu dertig na dato elkaar terug gezien. Hoe bijzonder en mooi. Wat fijn dat ik haar, thanks to the internet, weer terug vond. We zouden elkaar op straat niet zo maar meer herkend hebben.

HJR (15-11-’16)

“Handtekeningen” boekje

Toen we bevrijd waren in mei ’45 zaten we weer in ons eigen huis in Bloemendaal. De hongerwinter waren we geëvacueerd geweest naar Haarlem. Er was toen rekening gehouden met de mogelijkheid dat ook daar een invasie van de gealieerden zou plaats vinden.

Ik ging weer naar school. In het gebouw van de Hartelust mulo zaten onze bevrijders. Vanuit mijn kleuter school kwam ik daarlangs. De soldaten waren bij mij, hoe klein ik ook was erg in trek. Hoe ik er toe kwam om hun handtekeningen te vragen weet ik niet. Ik neem aan dat ik anderen daarin nadeed, mijn oudere broertje of zusje misschien. Ik kan me dat niet meer herinneren. Ik hoorde hen daar later ook nooit over. Maar dat handtekeningen boekje heb ik mijn hele leven bewaard. Zie hier het bewijs:

fullsizeoutput_20ed

– handtekeningen-boekje-bevrijding

– %22handtekeninen%

De namen zijn niet allemaal zo goed meer te lezen. Ook wel grappig die tekeningetjes en namen van filmsterren en stripfiguren. Ook staat ergens, “kom maar terug als je achttien bent”. Later heb ik in Canada, bij een oorlog’s monument hen een ogenblik herdacht. De meesten van die knullen waren toen mogelijk ook al overleden.

In deze blog ter nagedachtenis aan hen, vereeuwig ik ze ook een beetje.

HJR (9-11-’16)

——